A A A A A

Goed Karakter: [Verantwoording]


Romeinen 14:12
Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven [aan God].

Romeinen 1:20
Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben.

Prediker 27:17
Zoals men ijzer met ijzer scherpt, zo scherpt de ene mens de ander.

Jakobus 5:16
Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.

Romeinen 2:12
Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;

Lucas 12:47-48
[47] Die slaaf nu, die de wil van zijn heer kende en geen toebereidselen getroffen heeft, of niet gedaan heeft naar de wil van zijn heer, zal vele slagen ontvangen.[48] Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft gedaan, die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen. Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd.

1 Tessalonicenzen 5:11
Vermaant daarom elkander en bouwt elkander op, gelijk gij dit ook doet.

Jakobus 4:17
Als iemand dan weet goed te doen en het niet doet, is het hem tot zonde.

Romeinen 4:15
De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding.

1 Timoteüs 1:10
hoereerders, knapenschenders, zielverkopers, leugenaars, meinedigen, en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer,

Matteüs 12:36
Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels,

Lucas 12:48
Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft gedaan, die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen. Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd.

Ezechiël 18:20
De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf.

Efeziërs 5:21
en weest elkander onderdanig in de vreze van Christus.

Hebreeën 10:25
Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.

Ezechiël 33:8
Als Ik tot de goddeloze zeg: Goddeloze, gij zult zeker sterven, – maar gij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen.

Matteüs 12:36-37
[36] Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels,[37] want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden.

Galaten 6:1-2
[1] Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen.[2] Verdraagt elkanders moeilijkheden; zó zult gij de wet van Christus vervullen.

Hebreeën 10:24
En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.

Psalmen 51:5
Want ik ken mijn overtredingen, mijn zonde staat bestendig vóór mij.

1 Johannes 2:2
en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld.

2 Korintiërs 5:10
Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

2 Korintiërs 4:17-18
[17] Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid,[18] daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.

Efeziërs 4:25
Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander.

Galaten 6:2
Verdraagt elkanders moeilijkheden; zó zult gij de wet van Christus vervullen.

Handelingen Apostelen 14:17
en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken.

2 Korintiërs 2:6
Voor zo iemand is het reeds genoeg, dat het merendeel (van u) hem berispt heeft,

1 Samuel 16:7
Doch de HERE zeide tot Samuël: Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan.

1 Korintiërs 1:10
Doch ik vermaan u, broeders, bij de naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, één van zin en één van gevoelen.

2 Koningen 12:4-5
[4] Joas gebood de priesters: Al wat onder de heilige gaven aan geld in het huis des HEREN gebracht wordt, gangbaar geld, het hoofdgeld, waarop ieder geschat is, (en) al het geld, dat ieder naar de drang zijns harten in het huis des HEREN brengt,[5] dat moeten de priesters in ontvangst nemen, ieder van zijn bekenden; en zij moeten daarmede de bouwvallige gedeelten van het huis herstellen, overal waar iets bouwvalligs gevonden wordt.

Psalmen 82:1
Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering der goden, Hij houdt gericht te midden der goden.

Psalmen 82:6
Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden, ja, allen zonen des Allerhoogsten;

Job 1:6-12
[6] Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de HERE te stellen, en onder hen kwam ook de satan.[7] En de HERE zeide tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de HERE: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb.[8] Toen zeide de HERE tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.[9] En de satan antwoordde de HERE: Is het om niet, dat Job God vreest?[10] Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land.[11] Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit – of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen![12] En de HERE zeide tot de satan: Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken. Toen ging de satan van des HEREN aangezicht heen.

Job 2:1-7
[1] Op zekere dag kwamen de zonen Gods om zich voor de HERE te stellen, en onder hen kwam ook de satan om zich voor de HERE te stellen.[2] En de HERE zeide tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de HERE: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb.[3] Toen zeide de HERE tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad. En nog volhardt hij in zijn vroomheid, hoewel gij Mij tegen hem hebt opgezet om hem, zonder oorzaak, in het verderf te storten.[4] Maar de satan antwoordde de HERE: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.[5] Strek daarentegen uw hand uit en tast zijn gebeente en zijn vlees aan – of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen![6] En de HERE zeide tot de satan: Zie, hij zij in uw macht; alleen, spaar zijn leven.[7] Toen ging de satan van des HEREN aangezicht heen, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe.

1 Kronieken 28:8
Nu dan, ten aanschouwen van geheel Israël, de gemeente des HEREN, en ten aanhoren van onze God (zeg ik u): Onderhoudt en onderzoekt alle geboden van de HERE, uw God, opdat gij dit goede land moogt bezitten, en voor altijd geven tot een erfenis aan uw zonen na u.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951