A A A A A

God: [Vloek]


Leviticus 20:9
Wanneer er iemand is, die zijn vader of zijn moeder vervloekt, die zal zeker ter dood gebracht worden; zijn vader of zijn moeder heeft hij vervloekt, zijn bloedschuld is op hem.

Deuteronomium 28:15
Maar indien gij niet luistert naar de stem van de HERE, uw God, en niet al zijn geboden en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen:

Exodus 21:17
Wie zijn vader of zijn moeder vervloekt, zal zeker ter dood gebracht worden.

Jeremia 15:10
Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist en gekrakeel voor het gehele land! Ik heb niet te leen gegeven en men heeft mij niet te leen gegeven, toch vervloeken mij allen.

Galaten 3:13
Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.

Exodus 34:7
die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar (de schuldige) houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht.

Lucas 6:28
zegent wie u vervloeken; bidt voor wie u smadelijk behandelen.

Numeri 14:18
De HERE is lankmoedig en groot van goedertierenheid, vergevende ongerechtigheid en overtreding, hoewel Hij zeker niet ongestraft laat, maar de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht.

Genesis 3:17
En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft,

Prediker 26:2
Gelijk een mus wegfladdert en een zwaluw heenvliegt, zo is een ongegronde vloek: hij treft geen doel.

Deuteronomium 5:9
Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen en aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten,

Galaten 5:1
Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen.

Exodus 20:5
Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten,

2 Korintiërs 5:17
Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.

1 Johannes 4:4
Gíj zijt uit God, kinderkens, en gij hebt hen overwonnen; want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is.

2 Samuel 16:5-8
[5] Toen koning David bij Bachurim gekomen was, kwam vandaar een man uit het geslacht van het huis van Saul; hij heette Simi en was de zoon van Gera. Onder het uitspreken van vervloekingen kwam hij nader.[6] En hij wierp met stenen naar David en naar alle dienaren van koning David, ofschoon al het volk en alle helden rechts en links van hem liepen.[7] Terwijl hij zijn vervloekingen uitte, sprak Simi, aldus: Ga weg, ga weg, bloedvergieter, nietswaardige![8] De HERE vergeldt u al het bloed van het huis van Saul, in wiens plaats gij koning geworden zijt, de HERE geeft het koningschap aan uw zoon Absalom; zie, gij zijt nu in de ellende, omdat gij een bloedvergieter zijt.

Deuteronomium 21:23
dan zal zijn lijk gedurende de nacht niet aan de paal blijven, maar gij zult hem dezelfde dag nog begraven, want een gehangene is door God vervloekt en gij zult het land dat de HERE, uw God, u als erfdeel geven zal, niet verontreinigen.

Exodus 20:5-6
[5] Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten,[6] en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

1 Samuel 17:43
De Filistijn zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij met een stok op mij afkomt? En de Filistijn vervloekte David bij zijn goden.

Ezechiël 18:20
De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf.

Jeremia 31:29-30
[29] In die dagen zal men niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden.[30] Maar ieder zal om zijn eigen ongerechtigheid sterven; ieder die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen slee worden.

Exodus 20:6
en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

Deuteronomium 18:10-12
[10] Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar,[11] geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt.[12] Want ieder die deze dingen doet, is de HERE een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de HERE, uw God, hen voor u weg.

Romeinen 8:37-39
[37] Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.[38] Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten,[39] noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.

1 Petrus 5:8-9
[8] Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.[9] Wederstaat hem, vast in het geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten.

Genesis 3:17-19
[17] En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft,[18] en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten;[19] in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

Genesis 4:10-12
[10] En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem.[11] En nu, vervloekt zijt gij, ver van de bodem, die zijn mond heeft opengesperd om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen.[12] Wanneer gij de aardbodem bewerken zult, zal hij u zijn volle opbrengst niet meer geven; een zwerver en een vluchteling zult gij op de aarde zijn.

Genesis 9:18-27
[18] De zonen van Noach, die uit de ark gegaan waren, waren Sem, Cham en Jafet; Cham was de vader van Kanaän.[19] Deze drie waren de zonen van Noach, en uit dezen is de gehele aarde bevolkt.[20] En Noach werd een landman en plantte een wijngaard.[21] Toen hij van de wijn gedronken had, werd hij dronken en hij ontblootte zich in zijn tent.[22] Toen zag Cham, de vader van Kanaän, zijns vaders naaktheid en hij vertelde het aan zijn beide broeders buiten.[23] Daarop namen Sem en Jafet een mantel, legden die op hun beider schouders, liepen achterwaarts en bedekten huns vaders naaktheid, terwijl hun aangezicht afgewend was, zodat zij huns vaders naaktheid niet zagen.[24] Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en vernam, wat zijn jongste zoon hem aangedaan had,[25] zeide hij: Vervloekt zij Kanaän, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders.[26] Voorts zeide hij: Geprezen zij de HERE, de God van Sem, maar Kanaän zij hem tot knecht.[27] God breide Jafet uit, en hij wone in de tenten van Sem, en Kanaän zij hem tot knecht.

1 Koningen 2:32-46
[32] Zo zal de HERE zijn bloed op zijn hoofd doen wederkeren, omdat hij twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, zonder medeweten van mijn vader David, heeft neergestoten en met het zwaard gedood: Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jeter, de legeroverste van Juda.[33] Zo zal hun bloed op het hoofd van Joab en van zijn nageslacht voor altoos wederkeren, maar David, zijn nageslacht, zijn huis en zijn troon zullen voor altoos vrede hebben van de HERE.[34] Daarop ging Benaja, de zoon van Jojada, heen, stiet hem neer en doodde hem, waarna hij in zijn huis in de woestijn begraven werd.[35] En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats over het leger aan, en de priester Sadok stelde de koning aan in de plaats van Abjatar.[36] Vervolgens ontbood de koning Simi, en zeide tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem, en vestig u aldaar; gij zult daar niet vandaan gaan, herwaarts noch derwaarts;[37] weet goed, dat gij op de dag, waarop gij daarvandaan gaat en de beek Kidron overschrijdt, zeker sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.[38] En Simi zeide tot de koning: Het is goed; zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw knecht doen. En Simi woonde geruime tijd te Jeruzalem.[39] Na verloop van drie jaren liepen twee slaven van Simi weg naar Akis, de zoon van Maäka, de koning van Gat, en men deelde Simi mee: Zie, uw slaven zijn te Gat.[40] Toen stond Simi op, zadelde zijn ezel, en ging naar Gat, naar Akis, om zijn slaven te zoeken; en Simi ging heen en bracht zijn slaven uit Gat terug.[41] Toen men Salomo meldde, dat Simi uit Jeruzalem naar Gat gegaan en teruggekeerd was,[42] liet de koning Simi roepen, en zeide tot hem: Heb ik u niet bij de HERE bezworen en u ingescherpt: Weet goed, dat gij op de dag, waarop gij daarvandaan gaat, herwaarts of derwaarts, zeker sterven zult? En gij zeidet tot mij: Het is goed, ik heb het gehoord.[43] Waarom hebt gij dan de eed bij de HERE en het gebod dat ik u opgelegd had, niet gehouden?[44] Voorts zeide de koning tot Simi: Gij weet al het kwaad – uw hart is zich daarvan bewust –, dat gij mijn vader David hebt aangedaan; nu zal de HERE uw kwaad op uw hoofd doen wederkeren;[45] koning Salomo echter zij gezegend en de troon van David zij voor altoos bevestigd voor het aangezicht des HEREN.[46] Toen gebood de koning Benaja, de zoon van Jojada, en hij ging heen en stiet hem neer, zodat hij stierf. En het koningschap was in de hand van Salomo bevestigd.

Job 2:9
Toen zeide zijn vrouw tot hem: Volhardt gij nog in uw vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf!

Job 19:17
Mijn adem staat mijn vrouw tegen en mijn reuk is walgelijk voor mijn stamgenoten.

Job 1:10
Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land.

Efeziërs 6:10-17
[10] Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht.[11] Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels;[12] want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.[13] Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden.[14] Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid,[15] de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes;[16] neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven;[17] en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God.

Matteüs 5:22
Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.

Romeinen 3:23
Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods,

Romeinen 6:23
Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.

Genesis 9:25
zeide hij: Vervloekt zij Kanaän, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders.

Psalmen 104:9
Gij hebt een grens gesteld, die zij niet overschrijden: zij zullen de aarde niet weer bedekken.

Genesis 6:12
En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven.

Genesis 7:20
Vijftien el daarboven stegen de wateren, en de bergen werden overdekt.

Genesis 8:5-9
[5] En de wateren namen tot de tiende maand gestadig af; in de tiende maand, op de eerste der maand, werden de toppen der bergen zichtbaar.[6] Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster, dat hij in de ark gemaakt had,[7] en hij liet een raaf uit, en deze vloog heen en weer, totdat de wateren van de aarde waren opgedroogd.[8] Daarna liet hij een duif uit om te zien, of de wateren afgenomen waren van de aardbodem.[9] Doch de duif vond geen rustplaats voor het hol van haar voet en keerde tot hem in de ark terug, omdat op de gehele aarde water was, en hij stak zijn hand uit, greep haar en bracht haar tot zich in de ark.

Genesis 9:11
Ik dan richt mijn verbond met u op, dat voortaan niets dat leeft, meer door de wateren van de zondvloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen zondvloed meer wezen zal, om de aarde te verderven.

Romeinen 12:14
Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951