A A A A A

Slecht Karakter: [Pesten]


1 Johannes 2:9
Wie zegt in het licht te zijn en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nu toe.

1 Johannes 3:15
Een ieder, die zijn broeder haat, is een mensenmoorder en gij weet, dat geen mensenmoorder eeuwig leven blijvend in zich heeft.

2 Timoteüs 1:7
Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en van bezonnenheid.

Deuteronomium 31:6
Weest sterk en moedig, vreest niet en siddert niet voor hen, want de HERE, uw God, zelf gaat met u; Hij zal u niet begeven en u niet verlaten.

Efeziërs 4:29
Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen.

Efeziërs 6:12
want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.

Leviticus 19:18
Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de HERE.

Matteüs 5:11
Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.

Prediker 17:9
Wie een overtreding bedekt, jaagt liefde na; maar wie een zaak ophaalt, brengt scheiding tussen vrienden.

Prediker 22:10
Jaag de spotter weg en de twist verdwijnt, en het twisten en smaden houdt op.

Prediker 24:16
want de rechtvaardige valt zevenmaal, doch staat weer op, maar de goddelozen struikelen in de rampspoed.

Psalmen 138:7
Wanneer ik wandel te midden van benauwdheid, behoudt Gij mij in het leven; tegen de toorn van mijn vijanden strekt Gij uw hand uit, en uw rechterhand verlost mij.

Romeinen 2:1
Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.

Romeinen 12:18-19
[18] Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen.[19] Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here.

Romeinen 12:20-21
[20] Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen.[21] Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Lucas 6:27-28
[27] Maar tot u, die Mij hoort, zeg ik: Hebt uw vijanden lief, doet wel degenen, die u haten;[28] zegent wie u vervloeken; bidt voor wie u smadelijk behandelen.

Matteüs 5:44-45
[44] Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen,[45] opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

Jesaja 41:11-13
[11] Zie, allen die tegen u in woede ontstoken zijn, staan beschaamd en worden te schande; de mannen die u bestrijden, worden als niets en komen om;[12] gij zult hen zoeken, maar niet vinden, de mannen die u bestoken; zij worden als niets, ja vernietigd, de mannen die tegen u oorlog voeren.[13] Want Ik, de HERE, uw God, grijp uw rechterhand vast; die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.

Matteüs 5:38-41
[38] Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand.[39] Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe;[40] en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel;[41] en zal iemand u voor één mijl pressen, ga er twee met hem.

Psalmen 34:12-18
[12] Komt, kinderen, luistert naar mij, ik zal u de vreze des HEREN leren.[13] Wie is de man die het leven begeert, vele dagen wenst om het goede te genieten?[14] Bewaar uw tong voor het kwade en uw lippen voor het spreken van bedrog;[15] wijk van het kwade en doe het goede, zoek de vrede en jaag die na.[16] De ogen des HEREN zijn op de rechtvaardigen, en zijn oren tot hun hulpgeroep;[17] het aangezicht des HEREN is tegen hen die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.[18] Roepen zij, dan hoort de HERE, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951