A A A A A

Extra: [Alcohol]


1 Petrus 4:3
Want er is tijd genoeg voorbijgegaan met het volbrengen van de wil der heidenen, toen gij wandeldet in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij.

1 Timoteüs 5:23
Drink voortaan niet (alleen) water, maar gebruik een weinig wijn voor uw maag en voor uw gedurige ongesteldheden.

Hooglied 9:7
Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet, dan heeft God dit reeds lang zo gewild.

Efeziërs 5:18
En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest,

Prediker 20:1
De wijn is een spotter, de drank een luidruchtige, ieder die zich daaraan overgeeft, is onwijs.

Prediker 23:31
Zie niet naar de wijn, wanneer hij roodachtig fonkelt, wanneer hij in de beker parelt; vlot glijdt hij naar binnen,

Romeinen 13:13
Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd!

Prediker 31:4-5
[4] Het past koningen niet, o Lemuël, het past koningen niet wijn te drinken, noch machthebbers bedwelmende drank te begeren,[5] opdat hij niet drinke en de inzettingen vergete en het recht van alle verdrukten verkere.

Psalmen 104:14-15
[14] Hij doet het gras ontspruiten voor het vee, het groene kruid ter bewerking door de mens, brood uit de aarde voortbrengende[15] en wijn, die het hart des mensen verheugt, het aangezicht doende glanzen van olie; ja, brood, dat het hart des mensen versterkt.

1 Korintiërs 10:23-24
[23] Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.[24] Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is.

Jesaja 62:8-9
[8] De HERE heeft gezworen bij zijn rechterhand en bij zijn sterke arm: Nooit zal Ik uw koren meer aan uw vijanden tot spijze geven en nooit zullen vreemdelingen meer de most drinken, waarvoor gij gezwoegd hebt;[9] maar zij die het oogsten, zullen het eten en de HERE loven, en zij die hem inzamelen, zullen hem drinken in de voorhoven van mijn heiligdom.

Galaten 5:19-21
[19] Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid,[20] afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen,[21] nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.

1 Korintiërs 9:19-23
[19] Want hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen;[20] en ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als onder de wet – hoewel persoonlijk niet onder de wet – om hen, die onder de wet staan, te winnen;[21] hun, die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen, die zonder wet zijn, te winnen.[22] Ik ben voor de zwakken zwak geworden, om de zwakken te winnen; voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden.[23] Alles doe ik ter wille van het evangelie, om er zelf ook deel aan te verkrijgen.

Romeinen 14:15-21
[15] Want indien uw broeder door iets, dat gij eet, gegriefd wordt, wandelt gij niet meer naar de eis der liefde. Breng niet door uw eten hem ten verderve, voor wie Christus gestorven is.[16] Laat van het goede, dat gij hebt, geen kwaad gezegd kunnen worden.[17] Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest.[18] Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus, is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen.[19] Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert.[20] Breek niet ter wille van spijs het werk Gods af; alles is wel rein, maar het is verkeerd voor een mens, als hij door zijn eten tot aanstoot is.[21] Het is goed geen vlees te eten of wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot.

Johannes 2:3-11
[3] En toen er gebrek aan wijn kwam, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.[4] En Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u van node? Mijn ure is nog niet gekomen.[5] Zijn moeder zeide tot hen, die bedienden: Wat Hij u ook zegt, doet dat![6] Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik der Joden, elk met een inhoud van twee of drie metreten.[7] Jezus zeide tot hen: Vult de vaten met water. En zij vulden ze tot de rand.[8] En Hij zeide tot hen: Schept nu en brengt het aan de leider van het feest. En zij brachten het.[9] Toen nu de leider van het feest het water proefde, dat wijn geworden was – en hij wist niet, waar deze vandaan kwam, maar de bedienden, die het water geschept hadden, wisten het – riep de leider van het feest de bruidegom, en hij zeide tot hem:[10] Iedereen zet eerst de goede wijn op en als er goed gedronken is, de mindere; gij echter hebt de goede wijn tot dit ogenblik bewaard.[11] Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen te Kana in Galilea en Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard, en zijn discipelen geloofden in Hem.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951