A A A A A

Mysteries: [Buitenaardse wezens]


Kolossenzen 1:16
Hij was er al voordat er iets bestond en alles wat bestaat, is er dank zij Hem.

Deuteronomium 4:19
Nee, de HERE heeft u uit de gevangenis (a) van Egypte bevrijd om een aan Hem gewijd volk te worden, Zijn eigen erfenis; dat is wat u op dit moment bent.

Deuteronomium 17:3
controleer dit dan eerst zorgvuldig; als geen twijfel bestaat over de waarheid ervan,

Efeziërs 2:19
Voor God bent u nu geen vreemdelingen of buitenlanders meer; nee, u hebt dezelfde rechten als de Joodse christenen. U hoort nu ook bij het volk van God, bij Zijn gezin.

Efeziërs 6:12
Bewapen u dus met al Gods wapens om u te kunnen verdedigen als de vijand aanvalt. Dan zult u, na grote dingen te hebben gedaan, ongeslagen uit de strijd tevoorschijn komen.

Exodus 12:49
Het volk Israël gehoorzaamde de bevelen van de HERE, die Hij aan Mozes en Aäron had gegeven.

Exodus 22:21
Een vreemdeling mag niet worden lastiggevallen of uitgebuit. Denk eraan dat u zelf ook vreemdelingen in Egypte bent geweest.

Exodus 23:9
Zes jaar achtereen kunt u uw land inzaaien en de oogst binnenhalen,

Ezechiël 1:4-7
[4] afgezien van het feit dat elk wezen vier gezichten en twee paar vleugels had![5] Zij hadden rechte benen en hun voeten waren gevormd als de hoeven van een kalf en zij fonkelden als gepolijst koper.[6] Onder elk van hun vleugels kon ik menselijke handen onderscheiden. De vier levende wezens waren met de vleugels aan elkaar verbonden en vlogen recht vooruit, zonder zich om te draaien.[7] Elk had van voren het gezicht van een mens, aan de rechterkant een gezicht als een leeuw, aan de linkerkant het gezicht van een stier en leek van de achterkant op een arend!

Genesis 1:26
God schiep daarop de mens als Zijn evenbeeld. Als man en vrouw schiep Hij hen.

Genesis 2:1
Zo werden de hemelen en de aarde en alles wat leeft gemaakt.

Hebreeën 11:13
Al deze mensen zijn in het vertrouwen op God gestorven, zonder te krijgen wat hun beloofd was. Zij hebben het alleen uit de verte gezien en waren blij. Zij kwamen er openlijk voor uit dat zij hier op aarde alleen maar gasten en vreemdelingen waren.

Hebreeën 13:2
Wees altijd gastvrij voor vreemdelingen; daardoor hebben sommigen, zonder het zich bewust te zijn, engelen in huis gehad.

Jesaja 13:5
Zij zijn de wapens, die Zijn hand tegen u, o Babel, hanteert. Zij dragen Zijn toorn met zich mee en zullen uw hele land met de grond gelijk maken.

Jesaja 45:12
Ik maakte de aarde en schiep daarop de mens. Met mijn handen strekte Ik de hemel uit en Ik gaf bevelen aan de sterren die aan de hemel staan.

Jesaja 60:8
Wie zijn dat, die als wolken naar Israël vliegen? Als duiven naar hun nest?

Leviticus 24:22
Na zeven maal zeven sabbatsjaren, moet u in het erop volgende jaar op de tiende dag van de zevende maand, dus op de Grote Verzoendag,

Nehemia 9:6
U bent de HERE, de God, Die Abram heeft uitgekozen. U hebt hem uit Ur der Chaldeeën gehaald en hem de nieuwe naam Abraham gegeven.

Psalmen 97:6
Zijn rechtvaardigheid klinkt door alle hemelen en alle volken zullen Hem zien.

1 Petrus 2:11
Broeders, wij blijven hier op aarde zwervers en vreemdelingen. Omdat ons werkelijke thuis bij de Here is, dring ik er bij u op aan niet toe te geven aan de slechte begeerten van deze wereld, die uw leven in gevaar brengen.

Handelingen Apostelen 19:35
Maar de secretaris van de stad bracht de gemoederen tot bedaren. "Mannen van Efeze!" riep hij. "Wie ter wereld weet nou niet dat Efeze de stad van de grote Artemis is! Wij zijn de bewakers van haar beroemde tempel en van haar beeld, dat uit de hemel is gevallen.

Openbaring 12:12
Daarom moet de hemel en ieder die er woont, blij zijn. Maar wat ziet het er vreselijk uit voor de aarde en de zee. De duivel is afgedaald, buiten zichzelf van woede. Hij weet dat hij niet veel tijd meer heeft."

Openbaring 13:1
Ik zag een beest uit de zee opkomen, dat tien horens en zeven koppen had. Op elk van zijn horens stond een kroon en op zijn koppen stonden beledigingen tegen God.

Amos 9:2-3
[2] Ook al graven zij zo diep als het dodenrijk, Ik zal mijn hand uitsteken en hen omhoogtrekken; ook al klimmen zij tot in de hemelen, Ik zal hen vandaar weer naar beneden halen.[3] Al verschuilen zij zich tussen de rotsen op de top van de Karmel, Ik zal net zolang zoeken tot Ik hen heb en hen gevangen nemen. Als zij zich voor Mij verbergen op de zeebodem, zal ik de zeeslang op hen afsturen om hen te bijten en te vernietigen.

Leviticus 19:33-34
[33] Vreemdelingen in uw land mag u niet onderdrukken of uitbuiten.[34] Zij moeten worden behandeld als iedere andere burger; houd van hen als van uzelf. Vergeet niet dat ook u vreemdelingen bent geweest in het land Egypte. Ik ben de HERE, uw God.

Openbaring 9:7-11
[7] De sprinkhanen leken op paarden, die klaarstonden voor de veldslag. Op hun kop hadden zij iets dat op een gouden kroon leek. Zij hadden een gezicht als een mens,[8] lang haar als een vrouw en tanden als een leeuw.[9] Het leek of hun borstschilden van ijzer waren. Hun vleugels maakten net zoveel lawaai als een horde paarden en wagens die zich in de strijd storten.[10] Zij hadden een staart met een angel zoals een schorpioen. Met die staart konden zij de mensen vijf maanden lang pijnigen.[11] Hun aanvoerder was een engel uit de bodemloze put. In het Hebreeuws heette hij Abaddon en in het Grieks Apollyon. (A)

Genesis 6:1-22
[1] Het aantal mensen op aarde groeide gestadig.[2] In die tijd lieten zonen van God het oog vallen op dochters van mensen. Onder de indruk van hun schoonheid, namen zij hen tot vrouw.[3] Toen zei de HERE: "Ik kan mijn Geest niet langer in de mens laten wonen, nu hij zich zo heeft misdragen. Ik geef hem nog 120 jaar om van zijn boze weg terug te keren."[4] In die tijd waren er reuzen op aarde. In de ogen van de mensen waren het beroemdheden, mannen van naam, geweldenaars![5] Maar de HERE bekeek met afkeer het zondige gedrag van de mensen. Van al hun voornemens zag Hij dat de opzet boos was.[6] Daarom had Hij er verdriet van dat Hij hen had geschapen. Zijn onderdanen ontspoorden en Hij was er intens verdrietig over.[7] Hij zei: "Ik zal ze uitroeien. Niet alleen de mensen, maar ook alle dieren, kruipende dieren en de vogels. Ik had ze nooit moeten maken."[8] Maar in Noach had de HERE een welbehagen.[9] Hier volgt de geschiedenis van Noach, de enige rechtvaardige en oprechte man op aarde. Hij deed echt zijn best te leven zoals God het wilde.[10] Hij had drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.[11] In de loop van de tijd werden de mensen steeds slechter en gewelddadiger in de ogen van God.[12] Met al die slechtheid en verdorvenheid voor ogen zei Hij tegen Noach: "Ik heb besloten de hele mensheid uit te roeien, want zij is de schuld van alle geweld en slechtheid. Ja, Ik zal de bewoners van de aarde vernietigen.[13] Bouw een ark van acaciahout en bestrijk het hout met pek om het waterdicht te maken.[14] Verdeel hem in dekken en onderkomens. Maak hem 135 meter lang, 22, 5 meter breed en 13, 5 meter hoog.[15] Maak er een lichtsleuf in, die 45 centimeter onder het dak rond het hele schip loopt en verdeel het schip in drie dekken, een beneden, midden en bovendek. In de zijkant van het schip moet u de ingang maken.[16] Ik zal namelijk een enorme watervloed over de aarde laten gaan, die alle levende wezens zal doden. Iedereen en alles zal sterven.[17] Maar Ik beloof u dat u in het schip veilig zult zijn met uw vrouw, uw zonen en hun vrouwen.[18] Voordat de vloed komt, moet u van elk dier een mannetje en een vrouwtje aan boord nemen, zodat die de vloed overleven.[19] Van elke vogel, van elk soort vee, elk kruipend of ander dier moet een paar aan boord zijn.[20] Zorg verder voor al het voedsel dat uw familie en de dieren nodig hebben."[21] Noach volgde alle aanwijzingen van God op.[22] De dag brak aan waarop de HERE tegen Noach zei: "Ga met uw familie aan boord van de ark, want u bent de enige rechtvaardige tussen al die anderen, die de aarde bewonen.

Ezechiël 1:1-28
[1] Ezechiël, de zoon van Buzi, was een priester, die zich met de Joodse ballingen ophield aan de rivier de Kebar in Babel. Op de vijfde dag van de vierde maand, toen ik dertig jaar oud was, ging plotseling de hemel voor mij open en zag ik visioenen van God. Dat was in het vijfde jaar van de ballingschap in Babel.[2] Ik zag in dit visioen een zware storm uit het noorden op mij afkomen en die storm dreef een enorme wolk voor zich uit. Rond deze wolk schitterde een helle lichtglans, een vlammend vuur en daar middenin was iets dat blonk als goud.[3] Toen verschenen uit het midden van de wolk vier vreemde gedaanten, die er als mensen uitzagen,[4] afgezien van het feit dat elk wezen vier gezichten en twee paar vleugels had![5] Zij hadden rechte benen en hun voeten waren gevormd als de hoeven van een kalf en zij fonkelden als gepolijst koper.[6] Onder elk van hun vleugels kon ik menselijke handen onderscheiden. De vier levende wezens waren met de vleugels aan elkaar verbonden en vlogen recht vooruit, zonder zich om te draaien.[7] Elk had van voren het gezicht van een mens, aan de rechterkant een gezicht als een leeuw, aan de linkerkant het gezicht van een stier en leek van de achterkant op een arend![8] Ieder had twee paar vleugels op het midden van de rug. Eén paar was verbonden met de vleugels van de wezens naast hem, het andere paar bedekte zijn lichaam.[9] Waar hun geest ging, gingen zij; recht vooruit, zonder zich om te draaien.[10] Tussen hen door bewoog iets dat leek op brandende kolen en felle fakkels. Het was een helder heen en weer bewegend vuur, waaruit bliksemstralen te voorschijn schoten.[11] Deze wezens snelden heen en weer, bliksemsnel.[12] Terwijl ik hiernaar stond te kijken, zag ik vier wielen naast hen op de grond, één wiel bij elk wezen.[13] De wielen glansden als een turkoois en hadden allemaal dezelfde vorm. Elk wiel bevatte een tweede wiel, dat kruiselings op het grote wiel stond.[14] Zij konden in alle richtingen bewegen zonder van stand te veranderen.[15] De vier wielen hadden prachtige indrukwekkende velgen en de randen van de velgen waren bezet met ogen.[16] Wanneer de vier levende wezens vooruit vlogen, gingen de wielen met hen mee. Als zij omhoog vlogen, gingen de wielen ook omhoog en als zij halt hielden, stonden ook de wielen stil. Want de geest van de vier levende wezens bevond zich in de wielen; dus waar hun geest ook ging, de wielen en de levende wezens gingen mee.[17] Boven de hoofden van de wezens was iets dat er uitzag als een strakke hemel van verblindend kristal die zich boven hen uitstrekte. Onbeschrijflijk mooi![18] De vleugels van elk wezen strekten zich uit om de vleugels van de andere wezens aan te raken en elk van hen had twee vleugels, waarmee hij zijn lichaam bedekte.[19] En als zij vlogen, maakten hun vleugels een geluid dat leek op golven, die zich op de kust werpen of op de stem van de Almachtige of op het dreunen van een oprukkend leger. Als zij stil stonden, lieten zij hun vleugels hangen. Opeens klonk er een stem uit de kristallen hemel, die zich boven hen uitstrekte.[20] Want hoog daar boven stond iets dat leek op een troon, gemaakt van saffiersteen. En op die troon zat een gestalte die er als een mens uitzag.[21] Boven Zijn middel leek Zijn lichaam op glanzend brons, flakkerend als vuur. Onder Zijn middel leek hij uit vlammen te bestaan en een stralenkrans van licht omlijnde Zijn lichaam. De schittering van die krans had iets weg van een regenboog in de wolken bij regenachtig weer. Zo zag de verschijning van de heerlijkheid van de HERE eruit. En toen ik ernaar keek, liet ik mij met mijn gezicht naar beneden op de grond vallen. Op dat moment hoorde ik de stem van Iemand, Die tegen mij sprak.[22] Hij zei tegen mij: "Sta op, mensenzoon, dan zal Ik met u spreken."[23] Terwijl Hij sprak, kwam de Geest in mij en zette mij rechtop.[24] "Mensenzoon", zei Hij, "Ik stuur u naar de Israëlieten, naar een volk dat tegen Mij in opstand is gekomen. Zij en hun voorouders hebben zich tegen Mij verzet tot op dit moment.[25] Het zijn mensen met verharde harten, stijfkoppen. Maar Ik stuur u om hun mijn boodschappen te geven; de boodschappen van de Oppermachtige HERE.[26] En of zij nu luisteren of niet (want vergeet niet dat het rebellen zijn) zij zullen in elk geval weten dat zij een profeet in hun midden hebben gehad.[27] En u, mensenzoon, wees niet bang voor hen; wees niet angstig als zij dreigementen uiten, die als schorpioenen steken. Laat u niet ontmoedigen door hun kwade gezichten. Want vergeet niet: Het zijn rebellen![28] Geef hun mijn boodschappen of ze nu willen luisteren of niet. En bedenk: Het is een volk, dat tegen de draad ingaat.

Dutch Bible 2007
Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®