A A A A A

Zonden: [Overspel]


1 Korintiërs 6:18
Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.

Exodus 20:14
Gij zult niet echtbreken.

Hebreeën 13:4
Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.

Jakobus 4:17
Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.

Jeremia 13:27
Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op heuvelen, in het veld; Ik heb uw verfoeiselen gezien; wee u, Jeruzalem! zult gij niet rein worden? Hoe lang nog na dezen?

1 Johannes 1:9
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.

Lucas 16:18
Een iegelijk, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk, die de verlatene van den man trouwt, die doet ook overspel.

Matteüs 19:9
Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.

Prediker 6:32
Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;

Romeinen 7:2-3
[2] Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.[3] Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt.

Marcus 10:11-12
[11] En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.[12] En indien een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel.

Matteüs 5:27-32
[27] Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.[28] Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.[29] Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.[30] En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.[31] Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.[32] Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.

1 Korintiërs 6:9-16
[9] Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beerven?[10] Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven.[11] En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods;[12] Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen.[13] De spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen; maar God zal beide dezen en die te niet doen. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en de Heere voor het lichaam.[14] En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht.[15] Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre.[16] Of weet gij niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen.

Lucas 18:18-20
[18] En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerven?[19] En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.[20] Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder.

1 Tessalonicenzen 4:3-5
[3] Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij;[4] Dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer;[5] Niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.

Marcus 7:20-23
[20] En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.[21] Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,[22] Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.[23] Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.

Matteüs 15:17-20
[17] Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?[18] Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.[19] Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.[20] Deze dingen zijn het, die den mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet.

Prediker 5:18-23
[18] Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;[19] Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.[20] En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?[21] Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.[22] Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.[23] Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.

Johannes 8:4-11
[4] En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot Hem: Meester, deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande.[5] En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken gestenigd zullen worden; Gij dan, wat zegt Gij?[6] En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, nederbukkende, schreef met den vinger in de aarde.[7] En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zeide tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar.[8] En wederom nederbukkende, schreef Hij in de aarde.[9] Maar zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de een na den andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande.[10] En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld?[11] En zij zeide: Niemand, Heere! En Jezus zeide tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer.

Prediker 6:20-35
[20] Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.[21] Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.[22] Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.[23] Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;[24] Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.[25] Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.[26] Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.[27] Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?[28] Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?[29] Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.[30] Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;[31] En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis.[32] Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;[33] Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.[34] Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.[35] Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.

Prediker 5:3-22
[3] Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.[4] Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.[5] Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.[6] Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.[7] Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.[8] Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;[9] Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;[10] Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;[11] En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;[12] En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad![13] En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars![14] Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering![15] Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;[16] Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;[17] Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.[18] Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;[19] Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.[20] En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?[21] Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.[22] Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.

1 Korintiërs 7:1-40
[1] Aangaande nu de dingen, waarvan gij mij geschreven hebt: het is een mens goed geen vrouw aan te raken.[2] Maar om der hoererijen wil zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijke vrouw zal haar eigen man hebben.[3] De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen; en desgelijks ook de vrouw aan den man.[4] De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.[5] Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden.[6] Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel.[7] Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de een wel aldus, maar de andere alzo.[8] Doch ik zeg den ongetrouwden, en den weduwen: Het is hun goed, indien zij blijven, gelijk als ik.[9] Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.[10] Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.[11] En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate.[12] Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: Indien enig broeder een ongelovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate.[13] En een vrouw, die een ongelovige man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate.[14] Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.[15] Maar indien de ongelovige scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen.[16] Want wat weet gij, vrouw, of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken?[17] Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzo wandele; en alzo verordene ik in al de Gemeenten.[18] Is iemand, besneden zijnde, geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden.[19] De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods.[20] Een iegelijk blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is.[21] Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever.[22] Want die in den Heere geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus.[23] Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten der mensen.[24] Een iegelijk, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God.[25] Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel des Heeren; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb, om getrouw te zijn.[26] Ik houde dan dit goed te zijn, om den aanstaanden nood, dat het, zeg ik, den mens goed is alzo te zijn.[27] Zijt gij aan een vrouw verbonden, zoek geen ontbinding; zijt gij ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw.[28] Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien een maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vlees; en ik spare ulieden.[29] Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende;[30] En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende;[31] En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.[32] En ik wil, dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen;[33] Maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen.[34] Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen.[35] En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot hetgeen wel voegt, en bekwaam is, om den Heere wel aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden.[36] Maar zo iemand acht, dat hij ongevoegelijk handelt met zijn maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzo moet geschieden; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen.[37] Doch die vast staat in zijn hart, geen noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd zal bewaren, die doet wel.[38] Alzo dan, die haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter.[39] Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, dien zij wil, alleenlijk in den Heere.[40] Maar zij is gelukkiger, indien zij alzo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den Geest Gods te hebben.

Dutch Bible 1637
Public Domain: 1637 Statenvertaling