A A A A A

Goed Karakter: [Aanvaarding]


1 Korintiërs 5:11-13
[11] Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat gij met zodanig een ook niet zult eten.[12] Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?[13] Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij deze boze uit ulieden weg.

1 Johannes 1:9
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.

1 Petrus 3:8-9
[8] En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;[9] Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beerven.

Johannes 3:16
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Prediker 13:20
Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.

Romeinen 2:11
Want er is geen aanneming des persoons bij God.

Romeinen 5:8
Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.

Romeinen 8:31
Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?

Romeinen 14:1-2
[1] Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.[2] De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.

Hebreeën 10:24-25
[24] En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;[25] En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.

Johannes 6:35-37
[35] En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.[36] Maar Ik heb u gezegd, dat gij Mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet.[37] Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.

Kolossenzen 3:12-14
[12] Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;[13] Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.[14] En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.

Matteüs 5:38-42
[38] Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.[39] Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;[40] En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;[41] En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.[42] Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.

Matteüs 25:34-40
[34] Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechter hand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beerft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.[35] Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.[36] Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.[37] Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?[38] En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?[39] En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?[40] En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.

Romeinen 15:1-7
[1] Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen.[2] Dat dan een iegelijk van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting.[3] Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen.[4] Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden.[5] Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus;[6] Opdat gij eendrachtelijk, met een mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.[7] Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods.

Romeinen 14:10-19
[10] Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.[11] Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.[12] Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.[13] Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.[14] Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.[15] Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uw spijze, voor welken Christus gestorven is.[16] Dat dan uw goed niet gelasterd worde.[17] Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest.[18] Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk, en aangenaam den mensen.[19] Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.

Dutch Bible 1637
Public Domain: 1637 Statenvertaling