A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Jozua 3



1

  Toen stond Jozua des morgens vroeg op, en hij en al de Israëlieten braken op van Sittim en kwamen tot aan de Jordaan, waar zij overnachtten, voordat zij overtrokken.

2

  Na verloop van drie dagen gingen de opzieners de legerplaats door

3

  en zij gaven het volk dit bevel: Zodra gij de ark des verbonds van de HERE, uw God, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken.

4

  Er zij echter tussen u en haar een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte; komt niet dicht bij haar; opdat gij de weg moogt weten, waarlangs gij gaan zult, want langs die weg zijt gij noch gisteren noch eergisteren getrokken.

5

  En Jozua zeide tot het volk: Heiligt u, want morgen zal de HERE in uw midden wonderen doen.

6

  Tot de priesters zeide Jozua: Neemt de ark des verbonds op en trekt over, vóór het volk uit. Toen namen zij de ark des verbonds op en gingen vóór het volk uit.

7

  En de HERE zeide tot Jozua: Op deze dag zal Ik beginnen u groot te maken in de ogen van geheel Israël, opdat zij weten dat Ik met u zal zijn, zoals Ik met Mozes geweest ben.

8

  Beveel dan de priesters, die de ark des verbonds dragen: zodra gij gekomen zijt aan de oever van het water van de Jordaan, zult gij in de Jordaan blijven staan.

9

  Toen zeide Jozua tot de Israëlieten: Komt naderbij en hoort de woorden van de HERE, uw God.

10

  Voorts zeide Jozua: Hieraan zult gij weten, dat de levende God in uw midden is en dat Hij zeker de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten voor u uit verdrijven zal:

11

  ziet, de ark des verbonds van de HERE der ganse aarde trekt vóór u over, de Jordaan in.

12

  Welnu, neemt u twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit elke stam één man.

13

  Zodra dan de voetzolen der priesters, die de ark van de HERE, de Here der ganse aarde, dragen, in het water van de Jordaan rusten, zal het water van de Jordaan afgesneden worden; het water, dat van boven afkomt, zal als een dam blijven staan.

14

  Het geschiedde nu, toen het volk uit zijn tenten opbrak om de Jordaan over te trekken, – de priesters die de ark van het verbond droegen, bevonden zich aan de spits van het volk –

15

  dat, zodra de dragers van de ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren – de Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden gedurende de ganse oogsttijd –

16

  het water, dat van boven afkwam, bleef staan; het rees op als een dam, zeer ver weg bij Adam, de stad, die bezijden Saretan ligt, terwijl het water dat afvloeide naar de zee der Vlakte, de Zoutzee, volkomen werd afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.

17

  Doch de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, bleven onbeweeglijk staan op het droge, midden in de Jordaan, terwijl geheel Israël op het droge overtrok, totdat het ganse volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951