A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Jozua 18

1

  En de gehele gemeente der Israëlieten werd samengeroepen te Silo, waar zij de tent der samenkomst oprichtten, aangezien de streek onderworpen was en te hunner beschikking stond.

2

  Toen waren er onder de Israëlieten zeven stammen over, die hun erfdeel nog niet gekregen hadden.

3

  Daarom zeide Jozua tot de Israëlieten: Hoelang zult gij traag blijven, om het land in bezit te nemen, dat de HERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft?

4

  Wijst drie mannen uit elke stam aan; dan zal ik hen uitzenden, en zij zullen zich op weg begeven, het land doorkruisen, een beschrijving daarvan maken, naar gelang van ieders erfdeel, en daarna tot mij terugkeren.

5

  Vervolgens zullen zij het onderling in zeven stukken verdelen. Juda zal in zijn gebied in het zuiden blijven en het huis van Jozef in zijn gebied in het noorden.

6

  Gij zult een beschrijving van het land maken in zeven gedeelten en mij die hier brengen; dan zal ik hier het lot voor u werpen voor het aangezicht van de HERE, onze God.

7

  De Levieten immers hebben geen deel in uw midden, omdat het priesterschap des HEREN hun erfdeel is, terwijl Gad, Ruben en de halve stam Manasse aan de overzijde van de Jordaan, in het oosten, het erfdeel gekregen hebben, dat Mozes, de knecht des HEREN, hun gegeven heeft.

8

  Toen maakten die mannen zich gereed en gingen heen, terwijl Jozua hun bij het vertrek gebood, een beschrijving van het land te maken, zeggende: Gaat heen, doorkruist het land, maakt een beschrijving daarvan en keert daarna weer tot mij terug; dan zal ik hier het lot voor u werpen voor het aangezicht des HEREN te Silo.

9

  De mannen nu gingen heen en trokken door het land; zij maakten daarvan een beschrijving, stad voor stad, in zeven gedeelten, en kwamen bij Jozua in de legerplaats te Silo.

10

  Toen wierp Jozua voor hen het lot te Silo, voor het aangezicht des HEREN, en Jozua deelde daar de Israëlieten het land toe, overeenkomstig hun afdelingen.

11

  Het lot van de stam der Benjaminieten kwam te voorschijn naar hun geslachten, en het gebied, hun door het lot toegewezen, lag tussen de Judeeërs en de Jozefieten.

12

  De noordgrens begon voor hen bij de Jordaan; vervolgens liep de grens op in de richting van de bergrug ten noorden van Jericho, en liep dan westwaarts het gebergte op, om te eindigen in de woestijn van Bet-Awen.

13

  Vandaar liep de grens door naar Luz, zuidwaarts in de richting van de bergrug van Luz, dat is Betel; vervolgens liep de grens af naar Atrot-Addar op het gebergte zuidelijk van Laag-Bet-Choron.

14

  Daarna boog de grens af en maakte een zwenking in zuidwestelijke richting van het gebergte af, dat zuidoostelijk van Bet-Choron ligt, om te eindigen in de richting van Kirjat-Baäl, dat is Kirjat-Jearim, een stad van de Judeeërs. Dit was de westzijde.

15

  De zuidzijde begon bij Kirjat-Jearim; daarna liep de grens westwaarts, vervolgens naar de bron van Neftoach.

16

  Verder daalde de grens naar het uiteinde van het gebergte, dat oostelijk van het dal Ben-Hinnom ten noorden van de vallei der Refaïeten ligt; vervolgens daalde zij naar het dal Hinnom, zuidelijk langs de berghelling der Jebusieten, en daalde dan naar de bron Rogel.

17

  Daarna boog zij af in noordelijke richting, kwam uit bij En-Semes en verder bij de steenkringen tegenover de bergpas van Adummim, daalde naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben,

18

  ging in de richting van de berghelling tegenover Bet-Araba noordwaarts, en daalde dan naar de Vlakte.

19

  Vervolgens liep de grens door in de richting van de berghelling van Bet-Chogla noordwaarts, en het uiteinde van de grens was bij de noordelijke inham van de Zoutzee, aan de uitmonding van de Jordaan in het zuiden. Dit was de zuidgrens.

20

  De Jordaan vormde zijn grens aan de oostzijde. Dit was het erfdeel van de Benjaminieten naar hun geslachten, met zijn grenzen rondom.

21

  De steden nu van de stam der Benjaminieten naar hun geslachten waren: Jericho, Bet-Chogla, Emek-Kesis,

22

  Bet-Araba, Semaraïm, Betel,

23

  Awwim, Para, Ofra,

24

  Kefar-Haämmoni, Ofni en Geba; twaalf steden en haar dorpen,

25

  Gibeon, Rama, Beërot,

26

  Mispa, Kefira, Mosa,

27

  Rekem, Jirpeël, Tarala,

28

  Sela, Elef en Jebus, dat is Jeruzalem, Gibat en Kirjat; veertien steden en haar dorpen. Dit was het erfdeel van de Benjaminieten naar hun geslachten.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951