A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Kolossenzen 3



1

  Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods.

2

  Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

3

  Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God.

4

  Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.

5

  Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij,

6

  om welke dingen de toorn Gods komt.

7

  Daarin hebt ook gij eertijds gewandeld, toen gij erin leefdet.

8

  Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit uw mond.

9

  Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd,

10

  en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper,

11

  waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus.

12

  Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld.

13

  Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo.

14

  En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid.

15

  En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar.

16

  Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten.

17

  En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem!

18

  Vrouwen, weest uw man onderdanig, gelijk het betaamt in de Here.

19

  Mannen, hebt uw vrouw lief en weest niet ruw tegen haar.

20

  Kinderen, gehoorzaamt uw ouders in alles, want dit is welbehaaglijk in de Here.

21

  Vaders, prikkelt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.

22

  Slaven, gehoorzaamt uw heren naar het vlees in alles, niet als mensenbehagers om hen naar de ogen te zien, maar met eenvoud des harten in de vreze des Heren.

23

  Wat gij ook doet, verricht uw werk van harte, als voor de Here en niet voor mensen;

24

  gij weet toch, dat gij van de Here tot vergelding de erfenis zult ontvangen. Gij dient Christus als heer.

25

  Want wie onrecht doet, zal zijn onrecht terugontvangen, en er is geen aanzien des persoons.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951