A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Filippenzen 1

1

  Paulus en Timoteüs, dienstknechten van Christus Jezus, aan al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, tezamen met hun opzieners en diakenen;

2

  genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.

3

  Ik dank mijn God, zo dikwijls ik uwer gedenk;

4

  immers, in al mijn gebeden bid ik telkens voor u allen met blijdschap,

5

  wegens uw deelhebben aan de prediking van het evangelie, van de eerste dag af tot nu toe.

6

  Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus.

7

  Zó van u allen te denken spreekt voor mij dan ook vanzelf, omdat ik u op het hart draag, daar gij allen, zowel bij mijn gevangenschap als bij mijn verdediging en bevestiging van het evangelie, deelgenoten zijt van de mij verleende genade.

8

  God toch is mijn getuige, hoezeer ik met de ontferming van Christus Jezus naar u allen verlang.

9

  En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid,

10

  om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus,

11

  vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God.

12

  Ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen mij wedervaren is veeleer tot bevordering van de evangelieprediking heeft gestrekt.

13

  Daardoor toch is aan het gehele hof en aan al de overigen duidelijk geworden, dat ik in gevangenschap ben om Christus’ wil,

14

  en het merendeel der broeders in de Here heeft door mijn gevangenschap vertrouwen gekregen om met des te meer moed onbevreesd het woord Gods te spreken.

15

  Sommigen prediken de Christus wel uit nijd en twist, maar anderen doen het met goede bedoeling.

16

  Dezen verkondigen de Christus uit liefde, daar zij weten, dat ik tot verdediging van het evangelie gesteld ben,

17

  maar genen uit eigenbelang, met de onzuivere bedoeling, mij de gevangenschap zwaar te maken.

18

  Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daarin verblijd ik mij, en zal ik mij ook verblijden.

19

  Want ik weet, dat dit mij tot behoud zal strekken door uw gebed en de bijstand des Geestes van Jezus Christus,

20

  naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood.

21

  Want het leven is mij Christus en het sterven gewin.

22

  Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet.

23

  Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste;

24

  maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.

25

  En in deze overtuiging weet ik, dat ik zal blijven en voortdurend bij u allen zijn, opdat gij verder moogt komen en u in het geloof verblijden.

26

  Dan zult gij ruimschoots reden hebben om over mij te roemen in Christus Jezus, wanneer ik weder bij u kom.

27

  Alleen, gedraagt u waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig blijf, ik van u moge horen, dat gij vaststaat in één geest, één van ziel medestrijdende voor het geloof aan het evangelie,

28

  zonder dat gij u in enig opzicht door de tegenstanders laat beangstigen. Hierin is voor hen een aanwijzing van hún verderf, doch van úw behoud, en dat van Godswege.

29

  Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden,

30

  in dezelfde strijd, die gij eens van mij hebt gezien en nu van mij hoort.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951