A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

2 Korintiërs 6

1

  Maar als medewerkers (Gods) vermanen wij u ook de genade Gods niet tevergeefs te ontvangen,

2

  want Hij zegt: ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord en ten dage des heils ben Ik u te hulp gekomen; zie, nú is het de tijd des welbehagens zie, nú is het de dag des heils.

3

  Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot, opdat onze bediening niet gesmaad worde,

4

  maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,

5

  in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten,

6

  in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de heilige Geest, in ongeveinsde liefde,

7

  in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand;

8

  onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en toch betrouwbaar;

9

  als niet bekend en toch wèl bekend; als stervend en zie, wij leven; als getuchtigd, maar niet ten dode;

10

  als bedroefd, maar altijd blijde; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend.

11

  Onze mond heeft zich tegen u geopend, Korintiërs, ons hart staat wijd open;

12

  bij ons vindt gij niet te weinig ruimte, maar in uw binnenste is het te eng.

13

  Maar dan ook gelijk op, – ik spreek als tot mijn kinderen – gij moet ook ruimer worden.

14

  Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis?

15

  Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige?

16

  Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.

17

  Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine.

18

  en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Here, de Almachtige.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951