A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Marcus 6



1

  En Hij vertrok vandaar en kwam in zijn vaderstad, en zijn discipelen volgden Hem.

2

  En toen de sabbat aangebroken was, begon Hij te leren in de synagoge. En zeer velen van die Hem hoorden, stonden versteld en zeiden: Waar heeft Hij deze dingen vandaan en wat is dat voor een wijsheid, die Hem gegeven is? En zulke krachten, als door zijn handen geschieden?

3

  Is dit niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En behoren zijn zusters hier niet bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem.

4

  En Jezus zeide tot hen: Een profeet is alleen in zijn vaderstad en onder zijn verwanten en in zijn huis ongeëerd.

5

  En Hij kon daar geen enkele kracht doen; alleen genas Hij enige zieken door handoplegging.

6

  En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof. En Hij ging de omliggende dorpen rond en leerde.

7

  En Hij riep de twaalven tot Zich en begon hen uit te zenden, twee aan twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.

8

  En Hij gebood hun niets mede te nemen voor onderweg, dan alleen een staf; geen brood, geen reiszak, geen geld in de gordel,

9

  maar wèl sandalen aan de voeten te dragen en: trekt niet twee hemden aan.

10

  En Hij zeide tot hen: Als gij eenmaal ergens een huis zijt binnengegaan, blijft daar dan, totdat gij vandaar vertrekt.

11

  En indien een plaats u niet ontvangt en zij niet naar u luisteren, gaat daarvandaan en schudt het stof af, dat aan uw voeten is, hun tot een getuigenis.

12

  En zij vertrokken en predikten, dat zij zich zouden bekeren.

13

  En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen.

14

  En koning Herodes hoorde van Hem, want zijn naam was bekend geworden; en men zeide: Johannes de Doper is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in Hem.

15

  Anderen zeiden: Het is Elia, weer anderen: Een profeet als een van de profeten.

16

  Toen dan Herodes van Hem hoorde, zeide hij: Johannes, die ik onthoofd heb, die is opgewekt.

17

  Want hij, Herodes, had Johannes laten grijpen en geboeid gevangen gezet, ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar tot vrouw genomen had.

18

  Want Johannes had tot Herodes gezegd: Gij moogt de vrouw van uw broeder niet hebben.

19

  Herodias had het op hem voorzien en wilde hem doden, doch zij kon dit niet,

20

  want Herodes had ontzag voor Johannes, daar hij wist, dat hij een rechtvaardig en heilig man was; en hij beschermde hem en als hij hem gehoord had, was hij in grote verlegenheid, maar hij hoorde hem gaarne.

21

  En toen er een gelegen dag gekomen was en Herodes op zijn geboortefeest een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, zijn legeroversten en de voornaamsten van Galilea,

22

  en de dochter van Herodias binnenkwam en danste, behaagde zij Herodes en hun, die mede aanlagen. En de koning zeide tot het meisje: Vraag van mij, wat gij maar wilt en ik zal het u geven.

23

  En hij zwoer haar: Wat gij mij ook maar vragen zult, zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk.

24

  En zij ging heen en zeide tot haar moeder: Wat zal ik vragen? En deze zeide: Het hoofd van Johannes de Doper.

25

  En terstond ging zij haastig naar binnen tot de koning en vroeg, zeggende: Ik wil, dat gij mij onmiddellijk op een schotel geeft het hoofd van Johannes de Doper.

26

  En ofschoon de koning zeer bedroefd werd, wilde hij het haar om zijn eden en om hen, die aanlagen, niet weigeren.

27

  En terstond zond de koning een scherprechter met de opdracht het hoofd te brengen. En deze ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis,

28

  en hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje en het meisje gaf het aan haar moeder.

29

  En toen zijn discipelen het hoorden, kwamen zij en namen zijn lijk weg en legden het in een graf.

30

  En de apostelen kwamen weder samen bij Jezus en berichtten Hem al wat zij gedaan en geleerd hadden.

31

  En Hij zeide tot hen: Komt hier en gaat (met Mij) alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig. Want er waren velen, die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen tijd om te eten.

32

  En zij vertrokken in het schip naar een eenzame plaats, alleen.

33

  En zij zagen hen wegvaren en velen letten erop, en zij liepen te voet uit al de steden daarheen en waren er vóór hen.

34

  En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren.

35

  En toen het reeds laat geworden was, kwamen zijn discipelen tot Hem en zeiden: De plaats (hier) is eenzaam en het is reeds laat.

36

  Zend hen weg, dan kunnen zij naar de gehuchten en dorpen in de omtrek gaan om voedsel voor zich te kopen.

37

  Maar Hij antwoordde hun en zeide: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij dan voor tweehonderd schellingen brood gaan kopen en hun te eten geven?

38

  Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat eens zien! En toen zij het nagegaan hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.

39

  En Hij droeg hun op, dat allen groepsgewijze moesten gaan zitten op het groene gras.

40

  En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig.

41

  En Hij nam de vijf broden en de twee vissen, zag op naar de hemel, sprak de zegen uit en brak de broden en gaf ze aan de discipelen, dat die ze hun zouden voorzetten, en de twee vissen verdeelde Hij onder allen.

42

  En zij aten allen en werden verzadigd.

43

  En zij raapten de brokken op, twaalf manden vol, en ook van de vissen.

44

  En die de broden gegeten hadden, waren vijfduizend man.

45

  En terstond dwong Hij zijn discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, naar Betsaïda, terwijl Hij zelf de schare wegzond.

46

  En toen Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij naar de berg om te bidden.

47

  En bij het vallen van de avond was het schip midden op de zee, en Hij was alleen aan land.

48

  En toen Hij zag, dat zij zich aftobden om vooruit te komen bij het varen – want zij hadden de wind tegen – kwam Hij omstreeks de vierde nachtwake tot hen, gaande over de zee; en Hij wilde hen voorbijgaan.

49

  Toen zij Hem over de zee zagen gaan, meenden zij, dat het een spook was en zij schreeuwden luid.

50

  Want allen zagen zij Hem en werden verbijsterd. Maar terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd!

51

  En Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen. En zij waren innerlijk bovenmate ontsteld,

52

  want zij waren bij de broden niet tot inzicht gekomen, maar hun hart was verhard.

53

  En overgestoken zijnde naar het land, kwamen zij in Gennesaret, en legden daar aan.

54

  En toen zij van boord gingen, herkenden de mensen Hem terstond,

55

  en zij liepen die gehele streek af en begonnen degenen, die ernstig ongesteld waren, op matrassen rond te dragen naar de plaats, waar zij hoorden dat Hij was.

56

  En waar Hij ook kwam in dorpen of steden of gehuchten, daar legden zij de zieken op de markten en smeekten Hem, dat zij slechts de kwast van zijn kleed mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden gezond.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951