A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Klaagliederen 4



1

  Hoe is het goud verdonkerd, ontluisterd het goede, fijne goud! De heilige stenen zijn weggeworpen op de hoek van elke straat.

2

  De kinderen van Sion, zo kostbaar, eens opwegend tegen gelouterd goud, hoe zijn zij geacht als aarden kruiken, het werk van pottenbakkershanden!

3

  Zelfs jakhalzen reiken de borst, zij zogen haar jongen; de dochter mijns volks is hardvochtig geworden als struisvogels in de woestijn.

4

  De tong van de zuigeling kleefde van dorst aan zijn gehemelte; kinderen vroegen om brood, niemand reikte het hun.

5

  Zij, die lekkernijen plachten te eten, versmachtten op de straten; die op karmozijn waren verzorgd, omarmden de ashoop.

6

  Want de ongerechtigheid van de dochter mijns volks was groter dan de zonde van Sodom, dat, als in een oogwenk, onderstboven gekeerd is, zonder dat iemand de hand eraan sloeg.

7

  Reiner dan sneeuw waren haar vorsten, zij waren witter dan melk, roder van lichaam dan koralen, als lazuursteen was hun voorkomen.

8

  Nu werd hun gestalte zwarter dan roet, zij werden niet herkend op de straten, hun huid was verschrompeld om hun gebeente, was dor geworden als hout.

9

  Beter verging het hun die vielen door het zwaard, dan die geveld werden door de honger: doorboord immers kwijnden zij weg, daar de akker niets opbracht.

10

  De handen van teerhartige vrouwen kookten haar kinderen; dezen waren haar tot spijze bij de ondergang van de dochter mijns volks.

11

  De HERE heeft zijn grimmigheid uitgevierd, uitgegoten zijn brandende toorn. Ja, Hij heeft een vuur ontstoken in Sion, dat haar grondvesten verteerde.

12

  De koningen der aarde hadden het niet geloofd, noch al de bewoners der wereld, dat een tegenstander of vijand zou komen binnen de poorten van Jeruzalem.

13

  Het is om de zonden harer profeten, de ongerechtigheden harer priesters, die in haar midden vergoten het bloed van rechtvaardigen.

14

  Zij wankelden als blinden op de straten, bezoedeld met bloed; wat zij niet aanroeren mochten, raakten zij aan met hun kleren.

15

  Wijkt! Onrein! riep men hun toe, wijkt, wijkt, raakt niet aan! Dat zij vlieden, ja rondzwerven; dat men zegge onder de volkeren: Zij mogen hier niet langer blijven!

16

  De HERE zelf heeft hen verstrooid; Hij slaat geen acht meer op hen. De priesters heeft men niet ontzien, aan grijsaards geen genade bewezen.

17

  Altijd door smachtten onze ogen naar hulp voor ons – vergeefs; op onze wachttoren zagen wij uit naar een volk, dat niet kon verlossen.

18

  Zij belaagden ons bij elke schrede, zodat wij over onze pleinen niet gaan konden; ons einde was nabij, onze dagen waren vervuld, ja, ons einde was gekomen!

19

  Onze vervolgers waren sneller dan arenden des hemels, zij achtervolgden ons op de bergen, zij loerden op ons in de woestijn.

20

  Onze levensadem, de gezalfde des HEREN, werd in hun valkuilen gevangen, hij, van wie wij dachten: in zijn schaduw zullen wij leven onder de volkeren.

21

  Verblijd en verheug u maar, gij dochter van Edom, gij, die woont in het land Us – ook tot u zal de beker komen, gij zult dronken worden en u ontbloten.

22

  Uw ongerechtigheid, o dochter van Sion, heeft een einde, Hij zal u niet weer in ballingschap doen gaan. Uw ongerechtigheid, o dochter van Edom, zal Hij bezoeken, uw zonden openbaar maken.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951