A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Hooglied 1



1

  De woorden van Prediker, de zoon van David, koning te Jeruzalem.

2

  IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid!

3

  Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?

4

  Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de aarde blijft altoos staan.

5

  De zon komt op en de zon gaat onder en hijgend ijlt zij naar de plaats waar zij opkomt.

6

  De wind gaat naar het zuiden en draait naar het noorden, aldoor draaiend gaat hij voort en op zijn kringloop keert de wind weer terug.

7

  Alle beken stromen naar de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats waarheen de beken stromen, daarheen stromen zij altijd weer.

8

  Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend; het oog wordt niet verzadigd van zien, en het oor wordt niet vervuld van horen.

9

  Wat geweest is, dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon.

10

  Is er iets, waarvan men zegt: Ziehier, dat is nieuw – het was er al in verre tijden, die vóór ons waren.

11

  Er is geen heugenis van de vorige tijden, en ook van de latere, die er zullen zijn, zal er geen heugenis wezen bij hen die nog later leven zullen.

12

  Ik, Prediker, was koning over Israël te Jeruzalem;

13

  en ik zette mijn hart erop om na te vorsen en onderzoek te doen naar de wijsheid in alles, wat onder de hemel geschiedt. Dat is een kwade bezigheid, die God aan de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te kwellen.

14

  Ik nam in ogenschouw alle daden, die onder de zon verricht worden, en zie: alles is ijdelheid en najagen van wind!

15

  Het kromme kan niet recht zijn en het ontbrekende kan niet geteld worden.

16

  Ik zeide bij mijzelf: Zie, ik ben groter en rijker in wijsheid geworden dan allen die vóór mij over Jeruzalem geregeerd hebben, en mijn hart heeft in overvloed wijsheid en kennis opgedaan;

17

  zo heb ik er mijn hart op gezet om wijsheid en kennis, verdwaasdheid en onverstand te leren kennen. Ik heb ingezien, dat ook dit is najagen van wind.

18

  Want in veel wijsheid ligt veel verdriet, en als iemand kennis vermeerdert, vermeerdert hij smart.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951