A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Prediker 30



1

  De woorden van Agur, de zoon van Jake. De godsspraak. Deze man zegt: Ik tobde mij af, o God, ik tobde mij af, o God, en ik versmacht;

2

  want ik ben onvernuftiger dan enig mens en mensenverstand heb ik niet;

3

  ook heb ik geen wijsheid geleerd, dat ik de Hoogheilige zou kennen.

4

  Wie klom op ten hemel en daalde weer neder, wie heeft de wind in zijn vuist verzameld? Wie heeft de wateren saamgebonden in zijn kleed, wie heeft al de einden der aarde vastgesteld? Hoe is zijn naam en hoe de naam van zijn zoon? Gij weet het toch.

5

  Alle woord Gods is gelouterd; hun die bij Hem schuilen, is Hij ten schild.

6

  Doe niets aan zijn woorden toe, opdat Hij u niet terechtwijze en gij een leugenaar bevonden wordt.

7

  Twee dingen vraag ik van U, onthoud ze mij niet, voordat ik sterf:

8

  houd valsheid en leugentaal verre van mij, geef mij armoede noch rijkdom, voed mij met het brood, mij toebedeeld;

9

  opdat ik, verzadigd zijnde, U niet verloochene en zegge: Wie is de HERE? noch ook, verarmd zijnde, stele en mij aan de naam van mijn God vergrijpe.

10

  Belaster een knecht niet bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke en gij ervoor moet boeten,

11

  Er is een geslacht, dat zijn vader vervloekt en zijn moeder niet zegent,

12

  een geslacht, dat rein is in eigen ogen, maar niet van zijn vuil is gewassen;

13

  een geslacht met trotse ogen en opgetrokken wimpers;

14

  een geslacht, welks tanden zwaarden, welks gebit messen zijn, om de ellendigen te verteren, zodat er geen meer zijn in het land, en geen nooddruftigen onder de mensen.

15

  De bloedzuiger heeft twee dochters: geef, geef! Deze drie zijn onverzadelijk, vier zeggen nooit: Het is genoeg:

16

  het dodenrijk en de onvruchtbare schoot, de aarde, die nooit van water verzadigd wordt, en het vuur, dat nooit zegt: het is genoeg!

17

  Het oog dat de vader bespot en de gehoorzaamheid aan de moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken en de jonge arenden opeten.

18

  Deze drie dingen zijn mij te wonderlijk, ja, vier begrijp ik niet:

19

  de weg van de adelaar langs de hemel en de weg van de slang op de rots, de weg van een schip in volle zee en de weg van een man bij een jonge vrouw.

20

  Zo is de weg der overspelige vrouw: zij eet, veegt haar mond af en zegt: Ik heb geen kwaad gedaan.

21

  Onder drie dingen beeft de aarde, ja, onder vier, die zij niet dragen kan:

22

  onder een slaaf, als hij koning wordt, en een nietsnut, als hij verzadigd wordt met brood,

23

  onder een versmade, als zij ten huwelijk wordt genomen, en een dienstmaagd, als zij haar meesteres verdringt.

24

  Deze vier zijn de kleinste op aarde, doch zijn bovenmate wijs:

25

  de mieren zijn een volk zonder kracht, toch bereiden zij hun spijs in de zomer;

26

  de klipdassen zijn een machteloos volk, toch maken zij hun woning in de rots;

27

  de sprinkhanen hebben geen koning, toch trekken zij gezamenlijk in goede orde op;

28

  de hagedis kan men met de hand grijpen, toch is zij in des konings paleizen.

29

  Deze drie hebben een statige tred, ja, vier een statige gang:

30

  de leeuw, de held onder de dieren, die voor niets of niemand terugdeinst;

31

  de windhond, of de geitebok en een koning wiens krijgsvolk met hem is.

32

  Hetzij gij u ondoordacht verheft, hetzij wel overwogen: de hand op de mond!

33

  Want drukking van de melk brengt boter voort, en drukking op de neus brengt bloed voort, en drukking van toorn brengt twist voort.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951