A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Prediker 29



1

  Wie zijn nek verhardt ondanks herhaalde vermaning, wordt opeens onherstelbaar gebroken.

2

  Als de rechtvaardigen toenemen, verheugt zich het volk; maar het volk zucht, als een goddeloze heerst.

3

  Wie wijsheid liefheeft, verheugt zijn vader; maar wie met hoeren verkeert, brengt zijn vermogen door.

4

  Door recht houdt een koning het land staande, maar een afperser richt het te gronde.

5

  Een man die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor zijn schreden.

6

  In de overtreding van de boze ligt een valstrik, maar de rechtvaardige zal jubelen en vrolijk zijn.

7

  De rechtvaardige erkent het recht van de geringen, de goddeloze heeft daar geen weet van.

8

  Overmoedigen brengen de stad in onrust, maar wijzen doen de toorn bedaren.

9

  Als een wijs man een rechtszaak heeft met een dwaas, dan raast en lacht deze zonder bedaren.

10

  Mannen des bloeds haten de rechtschapene, maar de oprechten zoeken zijn behoud.

11

  De dwaas laat zijn ganse toorn de vrije loop, maar de wijze houdt die in en doet hem bedaren.

12

  Een heerser die acht slaat op leugentaal – al zijn dienaren zijn goddeloos.

13

  De arme en de verdrukker ontmoeten elkander, de HERE geeft hun beiden het licht der ogen.

14

  Een koning die de geringen naar waarheid richt, diens troon staat voor eeuwig vast.

15

  Roede en bestraffing geven wijsheid, maar een aan zichzelf overgelaten knaap maakt zijn moeder te schande.

16

  Als de goddelozen talrijk worden, neemt de overtreding toe, maar de rechtvaardigen verlustigen zich in hun val.

17

  Tuchtig uw zoon, en hij zal u rust bereiden en u vreugde verschaffen.

18

  Indien openbaring ontbreekt, verwildert het volk, maar heil hem die de wet bewaart.

19

  Met woorden wordt een slaaf niet in tucht gehouden, want al verstaat hij ze, hij stoort zich er niet aan.

20

  Ziet gij iemand die met zijn woorden te haastig is, voor een dwaas is meer hoop dan voor hem.

21

  Wie zijn slaaf van jongs af verwent, voor die zal het einde weerbarstigheid zijn.

22

  Een opvliegend man verwekt twist en de driftkop begaat vele misdaden.

23

  Eens mensen hoogmoed vernedert hem, maar een nederige van geest zal eer ontvangen.

24

  Wie met een dief deelt, haat zichzelf; al hoort hij de vloek, toch geeft hij de zaak niet aan.

25

  Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de HERE vertrouwt, is onaantastbaar.

26

  Velen zoeken de gunst van een heerser, maar van de HERE ontvangt de mens zijn recht.

27

  Een booswicht is de rechtvaardigen een gruwel, wie recht is van wandel, is een gruwel voor de goddeloze.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951