A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Prediker 26

1

  Evenmin als sneeuw in de zomer, en regen in de oogsttijd, past eer bij een dwaas.

2

  Gelijk een mus wegfladdert en een zwaluw heenvliegt, zo is een ongegronde vloek: hij treft geen doel.

3

  De zweep is voor het paard, de teugel voor de ezel, en de roede voor de rug der dwazen.

4

  Antwoord een zot niet naar zijn dwaasheid, opdat gijzelf hem niet gelijk wordt.

5

  Antwoord een zot naar zijn dwaasheid, opdat hij niet wijs zij in eigen oog.

6

  Wie een boodschap zendt door een dwaas, kapt zich de voeten af en drinkt onheil in.

7

  De benen van een kreupele hangen slap neer, zo is een spreuk in de mond van dwazen.

8

  Zoals wie een steen in een slinger vastbindt, zo is hij, die een dwaas eer geeft.

9

  Gelijk een doorn dringt in de hand van een dronkaard, zo is een spreuk in de mond van dwazen.

10

  Zoals een boogschutter die alle voorbijgangers verwondt, is hij, die een dwaas en die dronkaards in dienst neemt.

11

  Een zot die zijn dwaasheid herhaalt, is als een hond die naar zijn uitbraaksel terugkeert.

12

  Ziet gij een man die wijs is in eigen oog, voor een dwaas is meer hoop dan voor hem.

13

  De luiaard zegt: Een roofdier op de weg! een leeuw op straat!

14

  De deur draait zich om op haar scharnieren, zo de luiaard op zijn bed.

15

  Al heeft de luiaard zijn hand in de schotel gestoken, hij is te traag om haar naar zijn mond te brengen.

16

  De luiaard is wijzer in eigen oog dan zeven die verstandig antwoord geven.

17

  Wie zich mengt in een twist die hem niet aangaat, is als iemand die een voorbijlopende hond bij de oren grijpt.

18

  Zoals een dolleman, die brandende pijlen en dodelijke schichten afschiet,

19

  zo is hij, die zijn naaste bedriegt en zegt: Deed ik het niet voor de grap?

20

  Als er geen hout is, dooft het vuur; waar geen lasteraar is, komt de twist tot rust.

21

  Zoals de kolen de gloed en hout het vuur doen opvlammen, zo een twistziek man de strijd.

22

  De woorden van de lasteraar zijn als lekkernijen; zij glijden immers af naar de schuilhoeken van het hart.

23

  Zilverglazuursel op een potscherf, zo zijn brandende lippen en een boos hart.

24

  Wie haat koestert, veinst met zijn lippen, maar in zijn binnenste bergt hij bedrog.

25

  Al spreekt hij met vriendelijke stem, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.

26

  Al tracht de haat zich door bedrog te verbergen, zijn boosheid komt in de vergadering wel aan het licht.

27

  Wie een kuil graaft, zal erin vallen; en wie een steen wentelt, op die zal hij terugrollen.

28

  Een leugenachtige tong haat hen die zij kwelt, en een gladde mond bereidt verderf.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951