A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Prediker 25



1

  Ook dit zijn spreuken van Salomo, welke de mannen van Hizkia, de koning van Juda, hebben bijeengebracht.

2

  Het is Gods eer een zaak te verbergen, maar der koningen eer een zaak uit te vorsen.

3

  De hoogte des hemels, de diepte der aarde en het hart der koningen is niet te doorvorsen.

4

  Doe het schuim van het zilver weg, en er komt een werkstuk uit voor de zilversmid.

5

  Doe de goddeloze van de koning weg, en zijn troon wordt bevestigd door gerechtigheid.

6

  Praal niet bij de koning, ga niet staan op de plaats der groten;

7

  want het is beter, dat men tot u zegt: Kom hierheen, hoger op! dan dat men u vernedere voor de aanzienlijke, die uw ogen hebben gezien.

8

  Ga niet haastig over tot een rechtsgeding, want wat zult gij ten slotte doen, wanneer uw naaste u beschaamd maakt?

9

  Beslecht uw rechtsgeding met uw naaste, maar openbaar het geheim van een ander niet,

10

  opdat wie het hoort u niet beschimpe; dan zou het kwaad gerucht over u niet ophouden.

11

  Een woord, in juiste vorm gesproken, is als gouden appelen op zilveren schalen.

12

  Een wijs vermaner bij een luisterend oor, is een gouden ring en een fijn gouden sieraad.

13

  Gelijk de koelte der sneeuw in de oogsttijd, is een betrouwbare bode voor wie hem zendt; hij verkwikt de ziel van zijn heer.

14

  Dampen en wind en toch geen regen, zo is iemand die ophef maakt van een waardeloos geschenk.

15

  Door lankmoedigheid wordt de machtige vermurwd, een zachte tong verbreekt beenderen.

16

  Hebt gij honig gevonden, eet zoveel als u voldoende is, opdat gij er niet te veel van krijgt en het uitspuwt.

17

  Zet uw voet niet te dikwijls in het huis van uw naaste, opdat hij niet genoeg van u krijge en u hate.

18

  Een knots en een zwaard en een scherpe pijl, zo is iemand die als vals getuige optreedt tegen zijn naaste.

19

  Als een afbrekende tand en een zwikkende voet is het vertrouwen op een trouweloze ten dage der benauwdheid.

20

  Als iemand die een kleed uittrekt op een koude dag, als azijn op loog, is wie liedjes zingt bij een treurig hart.

21

  Indien uw vijand honger heeft, geef hem brood te eten, indien hij dorst heeft, geef hem water te drinken;

22

  want dan hoopt gij vurige kolen op zijn hoofd, en de HERE zal het u vergelden.

23

  De noordenwind verwekt stortregen, heimelijk gepraat toornige aangezichten.

24

  Beter te wonen op een hoek van het dak dan met een twistzieke vrouw in een gemeenschappelijke woning.

25

  Goede tijding uit verren lande is koel water voor een dorstige ziel.

26

  Een troebel gemaakte fontein en een verontreinigde bron, zo is de rechtvaardige die voor de goddeloze wankelt.

27

  Veel honig eten is niet goed, maar het doorvorsen van zware dingen is een eer.

28

  Een stad met omvergehaalde muren, zo is iemand die zijn geest niet in bedwang heeft.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951