A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Prediker 24

1

  Wees niet afgunstig op booswichten en begeer niet met hen te verkeren;

2

  want hun hart bedenkt onderdrukking, hun lippen spreken onheil.

3

  Door wijsheid wordt een huis gebouwd, door verstand wordt het bevestigd;

4

  door kennis worden de kamers gevuld met allerlei kostbaar en liefelijk bezit.

5

  Een wijs man is sterk, een man van kennis betoont kracht;

6

  want met overleg moet gij de strijd voeren en de overwinning ligt in de veelheid van raadgevers.

7

  Onbereikbaar is de wijsheid voor een dwaas, in de poort doet hij zijn mond niet open.

8

  Wie aldoor bedenkt kwaad te doen, die noemt men een aartsschelm.

9

  Het bedenken van dwaasheid is zonde, en de spotter is de mens een gruwel.

10

  Betoont gij u slap ten dage der benauwdheid, dan komt uw kracht in het nauw.

11

  Red hen die ten dode gegrepen zijn, wend u niet af van hen die ter slachting wankelen.

12

  Wanneer gij zegt: Zie, wij wisten dit niet – zal Hij, die de harten doorzoekt, het niet merken, en Hij, die op uw ziel let, het niet weten, en de mens naar zijn doen vergelden?

13

  Eet honig, mijn zoon, want dat is goed, honigzeem is zoet voor uw gehemelte;

14

  erken, dat de wijsheid zó is voor uw ziel. Als gij haar gevonden hebt, dan is er toekomst en uw verwachting wordt niet afgesneden.

15

  Gij goddelozen, belaagt de woning van de rechtvaardige niet, verwoest niet zijn verblijfplaats;

16

  want de rechtvaardige valt zevenmaal, doch staat weer op, maar de goddelozen struikelen in de rampspoed.

17

  Als uw vijand valt, verheug u dan niet; als hij struikelt, jubele uw hart niet,

18

  opdat de HERE het niet zie en het Hem mishage, zodat Hij zijn toorn van hem zou afwenden.

19

  Wees niet afgunstig op de boosdoeners noch naijverig op de goddelozen;

20

  want voor de boze is er geen toekomst, de lamp der goddelozen wordt uitgeblust.

21

  Mijn zoon, vrees de HERE en de koning, laat u niet in met oproermakers;

22

  want onverhoeds verheft zich hun verderf, en wie weet, hoe hun jaren in ongeluk vergaan!

23

  Ook dit zijn (spreuken) van wijzen. Aanzien des persoons in het gericht is verkeerd.

24

  Wie tot de schuldige zegt: Gij zijt onschuldig – hem zullen volken vloeken, natiën zullen hem verwensen,

25

  maar hun die recht oordelen, gaat het goed, over hen komt de zegen van de voorspoed.

26

  Wie juiste antwoorden geeft, kust de lippen.

27

  Maak buiten uw werk gereed en bereid het voor u op het veld; daarna kunt gij uw huis bouwen.

28

  Wees niet een lichtvaardig getuige tegen uw naaste, want zoudt gij misleiden met uw lippen?

29

  Zeg niet: Zoals hij mij deed, zo zal ik hem doen; ik vergeld de man naar zijn doen.

30

  Ik ging langs de akker van een luiaard en langs de wijngaard van een verstandeloos mens,

31

  en zie, hij was geheel begroeid met distels, met onkruid bedekt, zijn stenen muur was neergehaald.

32

  Toen ik dit aanschouwde, nam ik het ter harte, toen ik het zag, trok ik een les daaruit:

33

  nog even slapen, nog even sluimeren, nog even liggen met gevouwen handen,

34

  daar komt uw armoede aangelopen en uw gebrek als een gewapend man.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951