A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Psalmen 49



1

  Voor de koorleider. Van de Korachieten. Een psalm.

2

  Hoort dit, alle gij volken, neemt ter ore, alle bewoners der wereld,

3

  zowel geringen als aanzienlijken, rijken en armen tezamen.

4

  Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, de overdenking van mijn hart is louter inzicht.

5

  Ik zal mijn oor tot een spreuk neigen, mijn geheimenis bij de citer ontsluieren.

6

  Waarom zou ik vrezen in dagen des kwaads, als de ongerechtigheid van mijn belagers mij omringt;

7

  van hen, die op hun vermogen vertrouwen, en op hun grote rijkdommen zich beroemen?

8

  Niemand kan ooit een broeder loskopen, noch Gode zijn losprijs betalen,

9

  – te hoog immers is de prijs voor hun leven, en voor altoos ontoereikend –

10

  dat hij voor immer zou voortleven, de groeve niet zou zien.

11

  Veeleer ziet hij, dat wijzen sterven, dat dwazen en redelozen tezamen te gronde gaan en hun vermogen aan anderen nalaten.

12

  Hun diepste gedachte is, dat hun huizen altoos zullen bestaan, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.

13

  Maar de mens met al zijn praal houdt geen stand; hij is gelijk aan de beesten, die vergaan.

14

  Dit is het lot van hen die op zichzelf vertrouwen, het einde van wie behagen scheppen in hun eigen woorden. sela

15

  Als schapen zinken zij in het dodenrijk, de dood weidt hen; de oprechten heersen over hen in de morgenstond; hun gedaante moet in het dodenrijk vergaan, zodat zij geen woning meer heeft.

16

  Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen. sela

17

  Vrees niet, als iemand rijk wordt, als de heerlijkheid van zijn huis toeneemt,

18

  want in zijn sterven neemt hij niets van dat alles mede, zijn heerlijkheid daalt hem niet achterna.

19

  Al prijst hij zich in zijn leven gelukkig, al looft men u, omdat gij u te goed doet,

20

  toch zult gij tot het geslacht van uw vaderen komen, die nimmermeer het licht zullen zien.

21

  De mens, die met al zijn praal geen inzicht heeft, is gelijk aan de beesten, die vergaan.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951