A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Psalmen 29



1

  Een psalm van David. Geeft de HERE, gij hemelingen, geeft de HERE heerlijkheid en sterkte;

2

  geeft de HERE de heerlijkheid van zijn naam, buigt u neder voor de HERE in heilige feestdos.

3

  De stem des HEREN is over de wateren, de God der heerlijkheid doet de donder weerklinken, de HERE over de geweldige wateren.

4

  De stem des HEREN is vol kracht, de stem des HEREN is vol glorie.

5

  De stem des HEREN breekt ceders, ja, de HERE verbreekt de ceders van de Libanon.

6

  Hij doet ze opspringen als een stierkalf, de Libanon en de Sirjon als een jonge woudos.

7

  De stem des HEREN klieft vuurvlammen,

8

  de stem des HEREN doet de woestijn beven; de HERE doet de woestijn van Kades beven;

9

  de stem des HEREN doet de hinden jongen werpen en zij ontschorst de wouden. Maar in zijn paleis zegt ieder: Ere!

10

  De HERE troonde boven de zondvloed, ja, de HERE troont als koning in eeuwigheid.

11

  De HERE zal zijn volk sterkte verlenen, de HERE zal zijn volk zegenen met vrede.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951