A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Psalmen 141



1

  Een psalm van David. O HERE, ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.

2

  Laat mijn gebed als reukoffer voor uw aangezicht staan, het opheffen van mijn handen als avondoffer.

3

  HERE, stel een wacht voor mijn mond, waak over de deuren van mijn lippen;

4

  neig mijn hart niet tot iets kwaads om in goddeloosheid boze daden te volvoeren met mannen die bedrijvers van ongerechtigheid zijn, en laat mij van hun lekkernijen niet eten.

5

  Slaat een rechtvaardige mij, het is liefde, kastijdt hij mij, het is olie voor mijn hoofd, die mijn hoofd niet zal weigeren. Zelfs rijst mijn gebed nog onder hun boze handelingen;

6

  al werden hun rechters langs de rots neergestoten, zij zouden horen, dat mijn woorden liefelijk waren.

7

  Zoals men de aarde doorploegt en openscheurt, zo liggen onze beenderen verstrooid aan de mond van het dodenrijk.

8

  Want op U, HERE Here, zijn mijn ogen, bij U schuil ik; giet mijn leven niet uit.

9

  Behoed mij voor de strik die zij mij spanden, voor de vallen der bedrijvers van ongerechtigheid.

10

  Laten de goddelozen in hun kuilen vallen, altegader, terwijl ik ontkom.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951