A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

Psalmen 136



1

  Looft de HERE, want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

2

  Looft de God der goden, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

3

  Looft de Heer der heren, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

4

  Hem, die grote wonderen doet, Hij alleen, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

5

  die met verstand de hemel schiep, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

6

  die de aarde op de wateren uitbreidde, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

7

  die de grote lichten maakte, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

8

  de zon tot heerschappij over de dag, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

9

  de maan en de sterren tot heerschappij over de nacht, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

10

  die Egypte sloeg in zijn eerstgeborenen, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

11

  en Israël uit hun midden uitleidde, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

12

  met sterke hand en met uitgestrekte arm, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

13

  die de Schelfzee in tweeën sneed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

14

  en Israël er middendoor deed trekken, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

15

  en Farao met zijn leger in de Schelfzee stortte, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

16

  die zijn volk door de woestijn voerde, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

17

  die grote koningen versloeg, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

18

  en geweldige koningen doodde, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

19

  Sichon, de koning der Amorieten, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

20

  en Og, de koning van Basan, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

21

  die hun land ten erfdeel gaf, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

22

  ten erfdeel aan Israël, zijn knecht, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

23

  die in onze vernedering onzer gedacht, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

24

  en ons aan onze tegenstanders ontrukte, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;

25

  die spijze geeft aan al wat leeft, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

26

  Looft de God des hemels, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951