A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

2 Kronieken 9



1

  De koningin van Seba had de roep omtrent Salomo vernomen. Toen kwam zij te Jeruzalem om Salomo door raadselen op de proef te stellen, met een zeer groot gevolg en met kamelen, die specerijen, goud in overvloed en edelgesteente droegen. Nadat zij bij Salomo gekomen was, sprak zij met hem over alles wat zij op haar hart had.

2

  En Salomo loste al haar vraagstukken op; niets was voor Salomo te diepzinnig, om voor haar op te lossen.

3

  Toen de koningin van Seba de wijsheid van Salomo zag, en het huis dat hij gebouwd had,

4

  de spijze van zijn tafel, het zitten van zijn dienaren, het staan van zijn bedienden en hun kleding, zijn schenkers en hun kleding, zijn brandoffers die hij in het huis des HEREN placht te brengen, was zij buiten zichzelf.

5

  En zij zeide tot de koning: Het is dus waar, wat ik in mijn land over u en uw wijsheid gehoord heb,

6

  maar ik geloofde hun woorden niet, totdat ik kwam en het met eigen ogen zag; waarlijk, de helft van uw grote wijsheid was mij niet aangezegd; gij hebt de roep overtroffen, die ik vernomen had.

7

  Gelukkig zijn uw mannen en gelukkig deze dienaren van u, die gedurig in uw dienst staan en uw wijsheid horen!

8

  Geprezen zij de HERE, uw God, die zulk een welgevallen aan u had, dat Hij u op zijn troon gezet heeft, tot koning voor de HERE, uw God! Omdat uw God Israël zo liefheeft, dat Hij het voor immer in stand wil houden, heeft Hij u over hen tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te oefenen.

9

  Zij gaf de koning honderd twintig talenten goud en specerijen in grote overvloed en edelgesteente; nooit was er zulke specerij als die, welke de koningin van Seba aan koning Salomo gaf.

10

  Bovendien brachten de knechten van Churam en van Salomo, die goud uit Ofir haalden, algummimhout en edelgesteente mee.

11

  De koning maakte van het algummimhout trappen voor het huis des HEREN en voor het huis des konings, ook citers en harpen voor de zangers. Nimmer tevoren was zo iets in het land van Juda gezien.

12

  Koning Salomo gaf aan de koningin van Seba al wat zij begeerde en vroeg, meer dan zij de koning gebracht had. Daarop keerde zij met haar dienaren terug naar haar land.

13

  Het gewicht van het goud dat in één jaar voor Salomo binnenkwam, bedroeg zeshonderd zesenzestig talenten goud,

14

  behalve wat de handelaars en de kooplieden brachten; ook brachten alle koningen van Arabië en de stadhouders des lands goud en zilver tot Salomo.

15

  Tweehonderd grote schilden maakte koning Salomo van geslagen goud, zeshonderd eenheden geslagen goud gebruikte hij voor één groot schild;

16

  eveneens driehonderd kleine schilden van geslagen goud, driehonderd eenheden goud gebruikte hij voor één klein schild. De koning plaatste ze in het huis: Woud van de Libanon.

17

  Voorts maakte de koning een grote ivoren troon, die hij overtrok met gelouterd goud.

18

  De troon had zes treden, een gouden voetbank, die aan de troon bevestigd was, en aan weerszijden van de zitplaats leuningen; twee leeuwen stonden naast de leuningen

19

  en twaalf leeuwen stonden aan weerszijden op de zes treden; nooit was zo iets voor enig koninkrijk gemaakt.

20

  Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud, al het gerei van het huis: Woud van de Libanon, was van gedegen goud; zilver werd in de dagen van Salomo niet van waarde geacht.

21

  Want de koning had schepen, die naar Tarsis voeren met de knechten van Churam; eens in de drie jaar kwamen de schepen van Tarsis binnen, beladen met goud en zilver, ivoor, apen en pauwen.

22

  Koning Salomo overtrof alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid.

23

  Alle koningen der aarde verlangden Salomo te zien om de wijsheid te horen, die God in zijn hart gelegd had.

24

  Ieder van hen bracht zijn geschenk: zilveren en gouden voorwerpen, klederen, wapenen, specerijen, paarden en muildieren, jaar op jaar.

25

  Voorts had Salomo vierduizend stallingen voor de paarden en de wagens, en twaalfduizend ruiters; hij legde ze in de wagensteden en bij de koning te Jeruzalem.

26

  Hij heerste over al de koningen, van de Rivier af tot aan het land der Filistijnen en de grens van Egypte.

27

  De koning maakte het zilver in Jeruzalem overvloedig als stenen, en de ceders als moerbeivijgen die in menigte in de Laagte groeien.

28

  Men leverde Salomo paarden uit Misraïm en uit alle landen.

29

  Het overige van de geschiedenis van Salomo, uit vroeger en later tijd, is dat niet beschreven in de geschiedenis van de profeet Natan, in de profetie van de Siloniet Achia en in de gezichten van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat?

30

  Veertig jaar regeerde Salomo te Jeruzalem over geheel Israël.

31

  Daarna ging Salomo bij zijn vaderen te ruste en men begroef hem in de stad van zijn vader David; zijn zoon Rechabeam werd koning in zijn plaats.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951