A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

2 Kronieken 5

1

  Toen al het werk, dat Salomo aan het huis des HEREN deed, voltooid was, bracht Salomo de geheiligde voorwerpen van zijn vader David erin; het zilver, het goud en al die voorwerpen legde hij in de schatkamers van het huis Gods.

2

  Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de stamhoofden, de familievorsten der Israëlieten, te Jeruzalem, om de ark van het verbond des HEREN uit de stad Davids, dat is Sion, opwaarts te brengen.

3

  En alle mannen van Israël kwamen bij de koning op het feest samen; dat was in de zevende maand.

4

  Toen alle oudsten van Israël gekomen waren, hieven de Levieten de ark op

5

  en brachten de ark, de tent der samenkomst en alle heilige voorwerpen die in de tent waren, opwaarts; de levitische priesters brachten ze opwaarts.

6

  Koning Salomo en de gehele vergadering van Israël, die bij hem samengekomen was vóór de ark, offerden schapen en runderen, niet te tellen, noch te berekenen vanwege de menigte.

7

  Vervolgens brachten de priesters de ark des verbonds des HEREN naar haar plaats, de achterzaal van het huis, het heilige der heiligen, onder de vleugels der cherubs,

8

  zodat de cherubs beide vleugels uitspreidden over de plaats der ark en de cherubs de ark en haar draagbomen van boven bedekten.

9

  De draagbomen waren zo lang, dat hun uiteinden buiten de ark vóór de achterzaal zichtbaar waren, maar buiten kon men ze niet zien; zij is daar geweest tot op de huidige dag.

10

  Er was niets in de ark dan alleen de twee tafelen die Mozes erin gedaan had op Horeb, waar de HERE met de Israëlieten een verbond had gesloten bij hun uittocht uit Egypte.

11

  Toen de priesters uit het heiligdom naar buiten traden – want al de priesters, die zich daar bevonden, hadden zich geheiligd zonder zich aan de afdelingen te houden –

12

  stonden al de levitische zangers, Asaf, Heman, Jedutun, hun zonen en hun broeders, met fijn linnen bekleed, ten oosten van het altaar, met cimbalen, harpen en citers; bij hen waren honderd twintig priesters, die op de trompetten bliezen.

13

  Toen zij tezamen trompetten en eenstemmig een lied lieten horen, om de HERE te loven en te prijzen, en de stem verhieven bij trompetten, cimbalen en andere muziekinstrumenten, en de HERE aldus prezen: Want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid – toen werd het huis, het huis des HEREN, vervuld met een wolk,

14

  zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid des HEREN had het huis Gods vervuld.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951