A A A A A
Nederlandse Bijbel NBG 1951

2 Koningen 3



1

  Joram, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaar.

2

  Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN; echter niet zoals zijn vader en zijn moeder: hij verwijderde de gewijde steen van Baäl, die zijn vader gemaakt had.

3

  Alleen volhardde hij in de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven; daarvan week hij niet af.

4

  Mesa nu, de koning van Moab, was een schapenfokker; hij bracht aan de koning van Israël honderdduizend lammeren op en de wol van honderdduizend rammen.

5

  Maar zodra Achab gestorven was, viel de koning van Moab van de koning van Israël af.

6

  Koning Joram trok te dien dage op uit Samaria en monsterde geheel Israël.

7

  En hij zond tot Josafat, de koning van Juda, deze boodschap: De koning van Moab is van mij afgevallen; trekt gij met mij tegen Moab ten strijde? En hij antwoordde: Ik zal optrekken, ik ben als gij, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden.

8

  Ook vroeg hij: Langs welke weg zullen wij optrekken? En hij antwoordde: In de richting van de woestijn van Edom.

9

  Zo ging de koning van Israël op weg met de koning van Juda en de koning van Edom. Maar toen zij zeven dagreizen rondgetrokken hadden, was er geen water voor het leger en de lastdieren die hen volgden.

10

  Toen zeide de koning van Israël: Ach, voorzeker heeft de HERE deze drie koningen geroepen om hen in de macht van Moab te geven!

11

  Maar Josafat vroeg: Is hier geen profeet des HEREN om door hem de HERE te raadplegen? Toen antwoordde een van de dienaren van de koning van Israël en zeide: Hier is Elisa, de zoon van Safat, die water op Elia’s handen goot.

12

  En Josafat zeide: Bij hem is het woord des HEREN. Daarop gingen de koning van Israël en Josafat, en de koning van Edom naar hem toe.

13

  Maar Elisa zeide tot de koning van Israël: Wat heb ik met u te doen? Ga naar de profeten van uw vader en naar die van uw moeder. Doch de koning van Israël zeide tot hem: Neen, want de HERE heeft deze drie koningen geroepen om hen in de macht van Moab te geven.

14

  Toen zeide Elisa: Zo waar de HERE der heerscharen leeft, in wiens dienst ik sta, als ik geen rekening wilde houden met Josafat, de koning van Juda, dan zou ik op u geen acht slaan of naar u omzien.

15

  Nu dan, haalt mij een citerspeler. En het geschiedde, toen de citerspeler speelde, dat de hand des HEREN op hem kwam.

16

  En hij zeide: Zo zegt de HERE: men make in dit dal vele greppels,

17

  want zo zegt de HERE: gij zult geen wind voelen en geen stortregen zien; toch zal dit dal vol water lopen, zodat gij kunt drinken, gij met uw vee en uw lastdieren.

18

  En ook is dit nog maar een kleine zaak in de ogen des HEREN: Hij zal bovendien Moab in uw macht geven,

19

  zodat gij alle versterkte steden, de keur der steden zult innemen en alle goede bomen vellen en alle waterbronnen dichtstoppen en alle goede akkers met stenen bederven.

20

  De volgende morgen, juist bij het brengen van het offer, zie daar kwam water uit de richting van Edom, zodat het land vol water liep.

21

  Toen al de Moabieten gehoord hadden, dat de koningen opgetrokken waren om tegen hen te strijden, werden allen bijeengeroepen, die nog de krijgsgordel konden aangorden, ja ook nog ouderen; en zij stelden zich op aan de grens.

22

  De volgende morgen vroeg, toen de zon over het water opging, zagen de Moabieten het water tegenover zich rood als bloed;

23

  en zij zeiden: Dat is bloed! De koningen zijn voorzeker met elkander in strijd geraakt en hebben elkander verslagen. Nu dan, Moabieten, aan de buit!

24

  Maar, toen zij bij de legerplaats van Israël kwamen, stonden de Israëlieten op en versloegen de Moabieten, zodat dezen voor hen op de vlucht gingen; en zij drongen op en versloegen de Moabieten.

25

  De steden verwoestten zij, op alle goede akkers wierp ieder zijn steen, zodat zij ze daarmee geheel bedekten; alle waterbronnen stopten zij dicht, en alle goede bomen velden zij, totdat men alleen in Kir-Chareset de stenen had laten overblijven. Toen slingeraars het omsingelden en beschoten,

26

  zag de koning van Moab dat de strijd hem te machtig werd; hij nam met zich zevenhonderd mannen die het zwaard konden voeren, om door te breken in de richting van de koning van Edom; maar zij konden het niet.

27

  Daarop nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem ten brandoffer op de muur. Toen kwam een grote toorn over Israël, zodat zij van hem wegtrokken en naar hun land terugkeerden.

Dutch NBG Bible 1951
Public Domain 1951