A A A A A
Facebook Instagram Twitter
Nederlandse Bijbel 1939

Genese 38



1
Omstreeks diezelfde tijd verliet Juda zijn broers, en begaf zich naar een man in Adoellam, Chira genaamd.
2
Daar zag Juda de dochter van een Kanaäniet, die Sjóea heette; hij nam haar tot vrouw, en hield gemeenschap met haar.
3
Zij werd zwanger, en baarde een zoon, dien ze Er noemde.
4
Zij werd nog eens zwanger, en baarde een zoon, dien zij de naam Onan gaf.
5
Daarna baarde zij nog een zoon, dien zij Sjela noemde. Zij bevond zich te Kezib, toen zij hem baarde.
6
Later nam Juda voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw, Tamar geheten.
7
Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van Jahweh, zodat Jahweh hem deed sterven.
8
Toen zeide Juda tot Onan: Ga naar de vrouw van uw broer, sluit een zwagerhuwelijk met haar, en zorg dat ge kinderen verwekt voor uw broer.
9
Maar Onan, die wist, dat die kinderen niet aan hem zouden behoren, liet telkens, als hij tot zijn schoonzuster kwam, het zaad op de grond verloren gaan, om geen kinderen voor zijn broer te verwekken.
10
Zijn gedrag was slecht in de ogen van Jahweh; zodat Hij ook hem liet sterven.
11
Toen sprak Juda tot zijn schoondochter Tamar: Blijf als weduwe in uw vaderlijk huis, tot mijn zoon Sjela volwassen is. Want hij dacht: anders zal ook hij sterven evenals zijn broers. En Tamar ging heen, en bleef in het huis van haar vader wonen.
12
Geruime tijd later stierf de dochter van Sjóea, Juda’s vrouw. Toen de rouwtijd voorbij was, ging Juda eens in gezelschap van zijn vriend Chira uit Adoellam naar Timna, om zijn schapenscheerders te bezoeken.
13
Men bracht Tamar het bericht: Uw schoonvader komt naar Timna, om zijn schapen te scheren.
14
Nu legde zij haar weduwkleed af, hulde zich in een sluier, en ging vermomd bij de poort van Enáim zitten, dat op de weg naar Timna ligt. Want zij wist, dat Sjela groot was geworden, en zij hem toch niet tot vrouw werd gegeven.
15
Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een deerne, omdat zij haar gelaat had gesluierd.
16
Hij verliet de weg, ging naar haar toe en sprak: Kom, ik wil met u mee. Hij wist immers niet, dat het zijn schoondochter was. Zij antwoordde: Wat geeft ge mij, als ge bij me moogt komen?
17
Hij zeide: Ik zal u een geitebokje van de kudde sturen. Zij antwoordde: Als ge een pand geeft, tot ge het mij hebt gestuurd.
18
Hij hernam: Wat voor een pand moet ik u geven? Zij antwoordde: Uw zegel met snoer en de staf, die ge in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, hield gemeenschap met haar, en zij ontving van hem.
19
Nu stond zij op, en ging heen; ze legde haar sluier af en trok haar weduwkleed weer aan.
20
Toen Juda nu door zijn vriend uit Adoellam een geitebokje liet brengen, om het pand uit de handen van de vrouw terug te krijgen, vond deze haar niet.
21
Hij ondervroeg de bewoners van die plaats: Waar is de deerne, die hier bij Enáim langs de weg zit? Maar zij antwoordden: Er is hier geen deerne.
22
Toen keerde hij naar Juda terug, en zeide: Ik heb haar niet kunnen vinden; en de mensen van die plaats beweren, dat daar nooit een deerne geweest is.
23
Juda sprak: Dan moet zij pand maar houden; we kunnen ons toch niet uit laten lachen. Ik heb het bokje gestuurd, maar gij hebt haar niet kunnen vinden.
24
Ongeveer drie maanden later werd aan Juda bericht: Uw schoondochter Tamar heeft ontucht bedreven, en is zwanger geworden. Juda sprak: Brengt ze naar buiten, om ze te verbranden!
25
Reeds werd ze naar buiten geleid, toen ze haar schoonvader liet zeggen: Van den man, aan wien deze dingen behoren, heb ik ontvangen. En zij liet er aan toevoegen: Kijk eens goed, wien dit zegel met snoer en die staf toebehoren.
26
Juda herkende ze en sprak: Zij is tegenover mij in haar recht; want ik heb haar niet aan mijn zoon Sjela gegeven. Maar hij hield verder geen gemeenschap met haar.
27
Toen de tijd van haar verlossing nabij was, bleek er een tweeling in haar schoot te zijn.
28
Tijdens de verlossing stak er een zijn handje uit. De vroedvrouw greep het vast, bond er een purperen draad om, en zeide: Deze is het eerst gekomen.
29
Maar hij trok zijn handje terug, en toen kwam zijn broertje te voorschijn. Nu sprak ze: Wat voor een bres hebt gij u gemaakt! En zij noemde hem Fares.
30
Daarna kwam zijn broertje, die de purperen draad om zijn handje had, en zij noemde hem Zara.











Genese 38:1

Genese 38:2

Genese 38:3

Genese 38:4

Genese 38:5

Genese 38:6

Genese 38:7

Genese 38:8

Genese 38:9

Genese 38:10

Genese 38:11

Genese 38:12

Genese 38:13

Genese 38:14

Genese 38:15

Genese 38:16

Genese 38:17

Genese 38:18

Genese 38:19

Genese 38:20

Genese 38:21

Genese 38:22

Genese 38:23

Genese 38:24

Genese 38:25

Genese 38:26

Genese 38:27

Genese 38:28

Genese 38:29

Genese 38:30







Genese 1 / Gen 1

Genese 2 / Gen 2

Genese 3 / Gen 3

Genese 4 / Gen 4

Genese 5 / Gen 5

Genese 6 / Gen 6

Genese 7 / Gen 7

Genese 8 / Gen 8

Genese 9 / Gen 9

Genese 10 / Gen 10

Genese 11 / Gen 11

Genese 12 / Gen 12

Genese 13 / Gen 13

Genese 14 / Gen 14

Genese 15 / Gen 15

Genese 16 / Gen 16

Genese 17 / Gen 17

Genese 18 / Gen 18

Genese 19 / Gen 19

Genese 20 / Gen 20

Genese 21 / Gen 21

Genese 22 / Gen 22

Genese 23 / Gen 23

Genese 24 / Gen 24

Genese 25 / Gen 25

Genese 26 / Gen 26

Genese 27 / Gen 27

Genese 28 / Gen 28

Genese 29 / Gen 29

Genese 30 / Gen 30

Genese 31 / Gen 31

Genese 32 / Gen 32

Genese 33 / Gen 33

Genese 34 / Gen 34

Genese 35 / Gen 35

Genese 36 / Gen 36

Genese 37 / Gen 37

Genese 38 / Gen 38

Genese 39 / Gen 39

Genese 40 / Gen 40

Genese 41 / Gen 41

Genese 42 / Gen 42

Genese 43 / Gen 43

Genese 44 / Gen 44

Genese 45 / Gen 45

Genese 46 / Gen 46

Genese 47 / Gen 47

Genese 48 / Gen 48

Genese 49 / Gen 49

Genese 50 / Gen 50