A A A A A

Bijbel in een jaar

September 21

Jesaja 33:1-24
1. Wee u, verrader. Alles om u heen hebt u verwoest, maar niet uzelf. U verwacht van anderen dat zij hun beloften aan u houden, terwijl u hen wel bedriegt! Maar nu zult ook u worden bedrogen en verwoest.
2. Maar wilt U, HERE, voor ons genadig zijn, want wij hebben op U gehoopt. Wees elke dag onze sterkte en onze redding in moeilijke tijden.
3. De vijand slaat op de vlucht als hij Uw stem hoort. Als U opstaat, vluchten de volken.
4. Zoals sprinkhanen de velden en wijngaarden afstropen, zo zal Jeruzalem het verslagen leger afstropen!
5. De HERE is zeer machtig en woont in de hoge. Hij zal Jeruzalem gerechtigheid, goedheid en rechtvaardigheid geven.
6. Een overvloed van heil ligt in een veilige plaats voor Juda opgeslagen, samen met wijsheid, kennis en ontzag voor God.
7. Maar nu huilen uw gezanten van bittere teleurstelling, want de vredesregeling is verworpen.
8. Uw wegen zijn verlaten en er zijn geen reizigers meer. Het vredesverdrag is verbroken en zij bekommeren zich niet om de beloften die zij in het bijzijn van getuigen hebben gedaan; zij hebben voor niemand respect.
9. Het hele land Israël is in grote nood, Libanon is verwoest; Saron is een wildernis geworden, Basan en Karmel zijn leeggeplunderd.
10. Maar de HERE zegt: Ik zal opstaan en mijn kracht en glorie laten zien.
11. U, Assyriërs, zult niets bereiken met al uw inspanningen. Uw adem zal veranderen in vuur en u zult zelf daardoor worden gedood.
12. Uw legers zullen tot kalk worden verbrand, als dorens die worden afgesneden en op het vuur gegooid.
13. Luister naar wat Ik heb gedaan; of u ver weg of dichtbij woont, erken mijn macht!
14. De zondaren onder mijn volk beven van angst. "Wie van ons", schreeuwen zij, "kan leven in de nabijheid van dit allesverterende, eeuwige vuur?"
15. Ik zal u vertellen wie hier kan leven: Allen die eerlijk en rechtvaardig zijn; die geen winst willen maken door bedrog, die zich niet laten omkopen, die weigeren te luisteren naar hen die moorden beramen en die de ogen sluiten voor al het slechte.
16. Dergelijke mensen zullen worden verhoogd. De rotsen van de bergen zullen hun veilige schuilplaats zijn; zij zullen voedsel krijgen en water naar behoefte.
17. Uw ogen zullen de koning zien in al Zijn glorie en Zijn uitgestrekte land aanschouwen.
18. Uw geest zal terugdenken aan die tijd van onderdrukking, toen de Assyrische aanvoerders buiten uw muren de torens telden en schatten hoeveel de gevallen stad hun zou opleveren.
19. Maar zij zullen binnenkort allemaal weg zijn. Deze harde, gewelddadige mensen met hun onverstaanbare taal zullen verdwijnen.
20. In plaats daarvan zult u een vreedzaam Jeruzalem zien, een plaats waar God wordt aanbeden, een rustige en veilige stad, als een tent, die stevig vaststaat.
21. De glorieuze HERE zal ons beschermen als een brede rivier, die geen enkele vijand kan oversteken.
22. Want de HERE is onze rechter, onze wetgever en koning. Hij zal ons helpen.
23. De zeilen van de vijand flapperen tegen gebroken masten en kunnen niet meer strak worden gespannen. Hun buit zal worden verdeeld onder het volk van God; zelfs de verlamden zullen hun aandeel krijgen.
24. Het volk van Israël zal niet langer zeggen: "Wij zijn ziek en hulpeloos", want de HERE zal het volk de zonden vergeven en het zegenen.

Jesaja 34:1-17
1. Kom hier en luister, volken van de aarde; laat de hele wereld en alles wat erop leeft, mijn woorden horen.
2. Want de HERE is toornig tegen de volken. Hij keert Zijn toorn tegen hun legers. Hij zal hen volledig vernietigen en blootstellen aan een slachting.
3. Hun doden zullen niet worden begraven en de stank van rottende lichamen zal het land vullen en hun bloed zal langs de berghellingen naar beneden vloeien.
4. In die tijd wordt de hemel als een boekrol opgerold. De sterren zullen als bladeren vallen, net als het verwelkte blad van de wijnstok en het dorre gebladerte van de vijgeboom.
5. In de hemel wordt het zwaard van de HERE scherp gemaakt. Kijk, nu daalt het op Edom neer, het volk dat ik heb vervloekt.
6. Het zwaard van de HERE is bevlekt met bloed en druipt van vet, alsof het gebruikt is voor het slachten van lammeren en geiten voor de offerdienst. Want de HERE zal een groot offer slachten in Edom. Hij zal daar een vreselijke slachting aanrichten.
7. Uw leger zal het onderspit delven, alsof het ging om wilde stieren en buffels. Het land zal worden doordrenkt met het bloed en de aarde zal glimmen van vet.
8. Want het is de dag van de wraak, het jaar van vergelding voor wat Edom Israël heeft aangedaan.
9. De rivieren van Edom zullen gevuld zijn met brandende pek en de grond zal met vuur zijn bedekt.
10. Deze berechting van Edom zal nooit eindigen. De rook zal blijven opstijgen. Het land zal van generatie op generatie verlaten blijven liggen; nooit zal zich daar meer iemand vestigen.
11. De pelikanen en roerdompen, uilen en raven zullen er voortaan leven. Want God zal de verwoesting breed uitmeten en de leegheid van het land vaststellen. Hij zal Zijn edelen op de proef stellen en vaststellen dat niemand van hen het koningschap waard is.
12. Het zal 'Niemandsland' worden genoemd en de vorsten van dat land zullen verdwenen zijn.
13. Dorens zullen de paleizen overwoekeren en in de burchten zullen netels en distels groeien. Alleen jakhalzen en struisvogels zullen zich daar nog op hun gemak voelen.
14. Er zullen wolven en hyena's zijn. Hun gehuil zal klinken in de stilte van de nacht. De nachtmonsters zullen daar elkaars schreeuw beantwoorden en de boze geesten zullen daar komen rusten.
15. De uil zal daar haar nest bouwen. De pijlslang zal haar eieren leggen, ze uitbroeden en haar jongen koesteren. Gieren zullen er komen, in paren.
16. Onderzoek het Boek van de HERE en ontdek alles wat Hij zal gaan doen; Hij zal geen enkel detail vergeten, want de HERE heeft het gezegd en Zijn Geest zal zorgen dat het allemaal zo gebeurt.
17. Hij heeft het land verkend en verdeeld onder die zwervende wezens; zij zullen het voor altijd bezitten, van generatie op generatie.

Psalmen 109:1-5
1. Een psalm van David voor de koordirigent. Ik loof U, mijn God; zwijgt U niet tegen mij.
2. Mijn tegenstanders hebben bedrieglijke taal tegen mij gesproken; dingen die tegen Uw wil ingaan. Zij liegen.
3. De haat druipt van hun woorden af en zij zijn opstandig tegen mij, zonder enige reden.
4. Ik heb hen liefgehad, maar als dank keren zij zich tegen mij. Ik wend mij echter tot U; alleen door gebed wil ik dit oplossen.
5. In plaats van goed spreken zij kwaad over mij en geven mij haat als beloning voor al mijn liefde.

Prediker 25:25-26
25. Goed nieuws uit een ver land is als koel water voor een vermoeid en dorstig mens.
26. De rechtvaardige die faalt voor de ogen van de goddelozen, lijkt op een fontein, die modder spuit, of op een verstopte bron.

2 Korintiërs 12:1-21
1. Al is het dan nergens goed voor, ik wil mij toch ook nog beroemen op de visioenen en openbaringen die de Here mij heeft gegeven.
2. Veertien jaar geleden werd ik in de hemel opgenomen. Vraag me niet of het mijn lichaam of mijn geest was, want dat weet ik niet. Daar kan alleen God antwoord op geven. Maar hoe dan ook, ik was daar in het paradijs.
3.
4. En ik hoorde dingen, die door geen mens onder woorden zijn te brengen (en dat mag ook niet).
5. Over die ervaring zal ik spreken, maar niet over mijzelf. Het enige waarop ik mij kan beroemen, is mijn zwakheid, omdat God die zwakheid gebruikt om Zijn grootheid en kracht te tonen.
6. Ik heb er genoeg van over mijzelf te praten, hoewel het helemaal niet zo vreemd zou zijn als ik het deed, want ik zou niets dan de waarheid spreken. Maar ik doe het niet, omdat ik wil voorkomen dat iemand een hogere dunk van mij krijgt dan ik kan waarmaken.
7. De openbaringen die God mij heeft gegeven, zijn werkelijk buitengewoon. Maar omdat Hij niet wilde dat ik mij daardoor iets zou gaan verbeelden, heeft Hij mij pijnlijk laten vernederen door een handlanger van satan, die mij als met vuisten slaat. Dat is een 'doorn in mijn vlees'. Nee, God zal niet toelaten dat ik mij wat ga verbeelden.
8. Drie keer heb ik de Here gesmeekt dit lijden te laten ophouden.
9. Maar de Here antwoordde telkens weer: "Dat Ik altijd bij u ben, is genoeg. Wanneer u zelf zwak bent, kan mijn kracht zich tenvolle ontplooien." Daarom durf ik mij toch op mijn zwakheden te beroemen. Omdat dan de kracht van Christus in mij gezien kan worden.
10. Daarom kan ik zelfs blij zijn over zwakheden, beledigingen, noodsituaties, vervolgingen en moeilijkheden, die ik terwille van Christus moet verdragen. Want als ik zwak ben, ben ik pas sterk.
11. Ik heb mij gedragen alsof ik niet wijs ben en dat is uw schuld. Als u goed van mij had gesproken, had ik het niet hoeven doen. Die 'geweldige boodschappers van God' hebben niets wat ik niet ook heb, al ben ik niets waard.
12. Toen ik bij u was, is in alle opzichten gebleken dat ik een apostel van Christus ben. Met grote volharding heeft de Here door mij wonderen onder u gedaan en bewijzen van Zijn macht gegeven.
13. In welk opzicht heb ik u minder behandeld dan de andere gemeenten? Dat ik niet op uw kosten heb geleefd? Wel, dat moet u mij maar vergeven.
14. Ik sta op het punt voor de derde keer naar u toe te komen en ik zal u weer niets kosten. Want ik wil uw geld niet; ik wil u zelf! U bent uiteindelijk mijn kinderen; en kinderen moeten niet voor hun ouders zorgen, maar ouders voor hun kinderen.
15. Ik zal heel graag mijzelf en alles wat ik heb, geven voor uw welzijn; al lijkt het erop dat hoe meer ik u liefheb, des te minder ik door u geliefd word.
16. Dat moet dan maar! Ik ben u nooit teveel geweest. Omdat ik met inzicht te werk ga, heb ik u ook met inzicht voor Christus gewonnen.
17. Maar vertel mij dan eens hoe! Hebben de mannen die ik heb gestuurd, u ook maar iets gekost?
18. Ik heb Titus en die andere broeder gevraagd naar u toe te gaan. Hebben die soms hun eigen voordeel gezocht? Uitgesloten! Zij en ik hebben dezelfde Geest en volgen dezelfde weg.
19. U denkt nog steeds dat wij ons tegenover u willen verdedigen. Maar het is ons erom te doen dat uw geloof versterkt wordt. Daarom zeggen wij deze dingen in gemeenschap met Christus voor God.
20. Want ik ben bang dat ik, als ik bij u kom, u niet zo zal vinden als ik graag zou willen. Mijn optreden zal u dan ook ongewenst voorkomen. Ik ben bang haat en nijd onder u te vinden (woede-uitbarstingen, rivaliteit, achterbaksheid, roddel en hoogmoed) kortom: een grote verwarring.
21. Ik ben bang dat God mij zal vernederen door de situatie die ik bij u zal aantreffen. Dat ik bedroefd moet zijn als er nog velen zijn, die gewoon blijven zondigen en zich niet afkeren van hun onreinheid, hoererij en losbandigheid.