Oude Testament
Nieuwe Testament
Nederlandse Bijbel 2007
← 136

Psalmen 137

138 →
1

Wij zaten aan de rivier in de stad Babel en huilden toen wij aan Jeruzalem dachten.

2

Onze citers hadden wij daar aan de takken van een wilg gehangen,

3

omdat onze bewakers wilden dat wij zouden zingen. Ondanks dat zij ons sloegen, wilden zij een vrolijk lied horen. "Vooruit", zeiden zij, "zing eens een lied over Jeruzalem!"

4

Maar hoe kunnen wij nu in een vreemd land een lied voor de HERE zingen?

5

Mijn rechterhand mag verlamd raken, als ik Jeruzalem zou vergeten!

6

Als ik Jeruzalem niet zou bezingen als de mooiste en hoogste stad, zou mijn tong krachteloos in mijn mond mogen liggen.

7

Neem wraak, HERE, op de Edomieten die Jeruzalem hebben verwoest. Zij zeiden tegen elkaar: "Wij breken die stad tot op de bodem af!"

8

Volk van Babel, binnenkort zal uw eigen land worden verwoest. Wij prijzen hen die vergelding zullen uitoefenen over wat u ons hebt aangedaan.

9

Wij prijzen de man, die nu Lw kinderen tegen de rotsen te pletter zal gooien.

Dutch Bible 2007
Copyright © 1979, 1988, 2007 by Biblica, Inc.®