Oude Testament
Nieuwe Testament
Nederlandse Bijbel 1939
← 6

1 Timoteüs 7

8 →
1

Deze Melkisedek immers was koning van Salem en priester van den allerhoogsten God; hij ging Abraham tegemoet, toen deze terugkeerde van zijn overwinning op de koningen, en hij zegende hem;

2

en Abraham gaf hem de tiende van alles. Welnu, vooreerst betekent zijn naam: Koning der Gerechtigheid; vervolgens was hij koning van Salem, en dit betekent: Koning van de Vrede;

3

ook was hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtslijst, zonder begin van dagen en einde van leven; en zó is hij den Zoon van God volkomen gelijk geworden, blijft hij priester voor eeuwig.

4

Overweegt nu eens, hoe groot hij is, dat zelfs Abraham, de aartsvader, hem tiende gaf uit het beste van de buit.

5

Zeker, ook de zonen van Levi, die het priesterschap ontvingen, kregen volgens de Wet bevel, om tiende te heffen van het volk, dat is van hun broeders, ofschoon ook zij uit Abrahams lende waren voortgesproten.

6

Maar ofschoon Melkisedek niet tot hun geslacht behoorde, heeft hij toch tiende van Abraham ontvangen, en hem gezegend, die de belofte bezat.

7

Welnu, het lijdt geen tegenspraak, dat het mindere wordt gezegend door het meerdere;

8

en in het éne geval waren het sterflijke mensen, die tiende ontvingen, in het andere geval een, van wien getuigd wordt, dat hij leeft.

9

Bovendien heeft Levi, die zelf tiende hief, als ‘t ware in Abraham tiende betaald;

10

want hij was nog in de lende van zijn vader, toen Melkisedek dien tegemoet ging.

11

Zo dus de volmaaktheid bereikt was door het levietische priesterschap—want daarop berustte de wetgeving voor het volk waarom zou het dan nog nodig geweest zijn, dat er een andere Priester werd aangesteld "naar de Orde van Melkisedek," en dat Hij niet naar de orde van Aäron werd genoemd?

12

Met de verandering toch van het priesterschap verandert ook noodzakelijk de wet.

13

Welnu, Hij op wien dit alles slaat, behoorde tot een andere stam, waaruit niemand zich aan het altaar heeft gewijd;

14

want het is bekend, dat onze Heer uit Juda gesproten is; en met betrekking tot deze stam heeft Moses niets van priesters gesproken.

15

En dit is nog veel duidelijker, nu als evenbeeld van Melkisedek een ander Priester is aangesteld,

16

één, die het niet geworden is volgens de wet ener vleselijke instelling, maar uit kracht van een onvergankelijk leven;

17

want er is betuigd: "Gij zijt Priester voor eeuwig naar de Orde van Melkisedek."

18

En zó werd de vroegere instelling opgeheven om haar zwakte en nutteloosheid,

19

want de Wet heeft niets tot volmaking gebracht, —en werd ze vervangen door een betere hoop, waardoor wij naderen tot God.

20

Bovendien is dit ook niet zonder eed geschied. Want de anderen zijn priesters geworden zonder eed,

21

maar Hij werd het door een eed van Hem, die tot Hem sprak: "De Heer heeft gezworen, En het zal Hem nimmer berouwen: Gij zijt Priester voor eeuwig!"

22

En ook in zover is Jesus de borg geworden van een veel beter Verbond.

23

Daarenboven, die anderen zijn priesters geworden in grote getale, omdat ze door hun dood verhinderd werden aan te blijven.

24

Maar Hij bezit een onvervreemdbaar Priesterschap, omdat Hij blijft voor eeuwig.

25

Daarom kan Hij ook ten allen tijde hen redden, die tot God komen door zijn bemiddeling, daar Hij altijd leeft, om hun Middelaar te zijn.

26

Ons voegt ook een Hogepriester, die heilig is, onschuldig, onbezoedeld, verwijderd van de zondaars en verheven boven de hemelen;

27

Eén, die niet zoals de hogepriesters dagelijks nodig heeft, eerst voor eigen zonden te offeren, daarna voor die van het volk; want dit laatste heeft Hij eens en voor al gedaan door het Offer van Zichzelf.

28

De Wet toch stelt tot hogepriesters mensen aan, met zwakheid behept; maar de eed-uitspraak, die na de Wet is gekomen, den Zoon, die volmaakt is voor eeuwig.

Dutch Bible 1939
Public Domain: Peter Canisius 1939