Oude Testament
Nieuwe Testament
Dutch Bible 1637
← 56

Psalmen 57

58 →
1

Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.

2

Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.

3

Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.

4

Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.

5

Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.

6

Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

7

Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden in gevallen. Sela.

8

Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.

9

Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.

10

Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natien.

11

Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. [ (Psalms 57:12) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde. ]

Dutch Bible 1637
Public Domain: 1637 Statenvertaling