Error:
BookNum: 13 Chapter: 26 VerseStart: 32 VerseShouldHave: 31
Bijbel in een jaar
Juli 15


1 Kronieken 26:1-32
1. De tempelwachters kwamen onder meer uit het geslacht van Korach. Hoofd van de wacht was Meselemja, de zoon van Kore uit de familie van Asaf.
2. Zijn helpers waren zijn zonen: Zecharja, de oudste, Jediaël, de tweede, Zebadja, de derde, Jathniël, de vierde, Elam, de vijfde, Johanan, de zesde en Eljoënai, de zevende.
3.
4. Ook de zonen van Obed-Edom werden als tempelwachters aangesteld: Semaja, de oudste, Jozabad, de tweede, Joah, de derde, Sachar, de vierde, Nethaneël, de vijfde, Ammiël, de zesde, Issaschar, de zevende, en Peüllethai, de achtste. Wat zegende God hem door hem zoveel zonen te geven!
5.
6. Semaja's zonen waren allemaal buitengewone mannen met invloedrijke posities in hun familie. Hun namen waren Othni, Refaël, Obed en Elzabad. Hun moedige broers Elihu en Semachja waren ook zeer bekwame mannen.
7.
8. Al deze zonen en kleinzonen van Obed-Edom (in totaal 62) waren buitengewone mannen, die uitzonderlijk geschikt bleken voor hun werk.
9. Meselemja's achttien zonen en broers waren dat ook.
10. Hosa, een lid van de Merari-groep, benoemde Simri tot leider van zijn zonen, ook al was hij niet de oudste.
11. De namen van enkele anderen van zijn zonen waren Hilkia, de tweede, Tebalja, de derde en Zecharja, de vierde. Hosa's zonen en broers waren in totaal met dertien man.
12. Deze afdelingen van de tempelwachters en hun leiders hadden dus de zorg voor de bewaking van de tempel. Evenals de andere Levieten waren zij verantwoordelijk voor een taak in het huis van de HERE.
13. Het lot bepaalde bij welke van de talloze tempelingangen zij wacht moesten houden, waarbij niet werd gelet op de familie waaruit zij kwamen.
14. De verantwoordelijkheid voor de oostelijke poort lag bij Selemja en zijn groep, de noordelijke poort viel onder zijn zoon Zecharja, een man met buitengewone wijsheid, de zuidelijke poort viel onder Obed-Edom en zijn groep, terwijl zijn zonen de verantwoording droegen voor de pakhuizen.
15.
16. De westelijke poort en de Sallechetpoort bij de oplopende straat vielen onder Suppim en Hosa.
17. Elke dag stonden zes wachters bij de oostpoort, vier bij de noordpoort, vier bij de zuidpoort en twee bij elk van de pakhuizen.
18. Bij de westpoort stonden altijd zes wachters, vier bij de oplopende weg en twee bij het wachthuis. (A)
19. De tempelwachters waren allemaal uit het geslacht van Korach en Merari.
20. Andere Levieten kregen de zorg voor de geschenken die aan de HERE werden gegeven en in de schatkamer van het huis van God werden bewaard. Tot deze mannen, afkomstig uit de familie van Ladan, een deel van de familie van Gersom, behoorden Zetham en Joël, de zonen van Jehiëli.
21.
22.
23. Sebuël, een nakomeling van Mozes' zoon Gersom, was het hoofd van de schatkamer. Hij had de leiding over de groepen genoemd naar Amram, Jizha, Hebron en Uzziël.
24.
25. De geslachtslijn vanaf Eliëzer liep via Rehabja, Jesaja, Joram, Zichri en Selomith.
26. Selomith en zijn broers hadden de zorg voor de geschenken, die koning David en de andere leiders van het volk, zoals familiehoofden en legerofficieren, de HERE gaven.
27. Want deze mannen schonken hun oorlogsbuit om te helpen voorzien in de vaste kosten van de tempel.
28. Selomith en zijn broers waren eveneens verantwoordelijk voor de geschenken die de profeet Samuël, Saul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner, Joab, de zoon van Zeruja, en alle andere hoogwaardigheidsbekleders (b) aan de HERE hadden gewijd.
29. Kenanja en zijn zonen, leden van de familie van Jizhar, vervulden de functie van ambtenaren en rechters.
30. Hasabja en 1700 van zijn familieleden uit de familie van Hebron, allemaal zeer bekwame mannen, kregen de leiding over het gedeelte van Israël ten westen van de Jordaan; zij waren verantwoordelijk voor godsdienstige zaken en rijksaangelegenheden in dat gebied.
31. In het veertigste regeringsjaar van koning David werden in de stad Jaëzer in Gilead nog 2700 andere familieleden van Hebron gevonden, die allemaal uitstekend geschikt waren voor dit werk. Onder leiding van Jeria kregen zij de leiding over de godsdienstige zaken en algemene bestuurszaken van de stammen van Ruben, Gad en Manasse.
32. Het Israëlitische leger was verdeeld in twaalf regimenten van elk 24.000 man. Daarbij waren de officieren en de administratieve staf inbegrepen. Gedurende één maand per jaar werd elk onderdeel voor aktieve dienst opgeroepen. Hier volgt een lijst van de regimenten en hun commandanten.

1 Kronieken 27:1-34
1. De commandant van de eerste afdeling was Jasobam, de zoon van Zabdiël en nakomeling van Perez. Hij stond aan het hoofd van 24.000 man en zijn onderdeel kwam in de eerste maand van het jaar op voor aktieve dienst.
2.
3. De commandant van de tweede afdeling was Dodai, een nakomeling van Ahoch. In de tweede maand van het jaar kwamen zijn 24.000 mannen op voor aktieve dienst. Mikloth was zijn ondercommandant.
4. De commandant van het derde regiment was Benaja. Zijn 24.000 mannen kwamen de derde maand van het jaar in aktieve dienst. Hij was een zoon van de hogepriester Jojada en stond aan het hoofd van de dertig hoogste officieren in Davids leger. Zijn zoon Ammizabad was ondercommandant.
5.
6. De commandant van het vierde regiment was Asaël, de broer van Joab. Zijn zoon Zebadja nam later het commando van hem over. Hij en zijn 24.000 mannen deden aktieve dienst in de vierde maand van het jaar.
7. De commandant van het vijfde regiment was Samhuth uit Jizrah. Zijn 24.000 manschappen waren in de vijfde maand in aktieve dienst.
8. Ira, de zoon van Ikkes uit Tekoa, was commandant van het zesde regiment. De zesde maand van het jaar kwamen hij en zijn mannen in aktieve dienst.
9. De commandant van het zevende regiment was de Peloniet Helez uit het geslacht van Efraïm. Hij en zijn 24.000 mannen kwamen op in de zevende maand van het jaar.
10. Aan het hoofd van het achtste regiment stond Sibbechai. Hij hoorde bij de familie der Hussathieten, die deel uitmaakte van de familie van Zerah. Zijn 24.000 mannen kwamen in de achtste maand van het jaar op.
11. De commandant van het negende regiment was Abiëzer, lid van de Anathothieten uit de stam van Benjamin. Onder zijn commando kwamen in de negende maand van het jaar 24.000 mannen in aktieve dienst.
12. De commandant van het tiende regiment was Maharai, de Netofathiet uit de familie van Zerah en de tiende maand van het jaar was de maand waarin hij en zijn 24.000 mannen in aktieve dienst kwamen.
13. De commandant van het elfde regiment was de Pirathoniet Benaja uit het geslacht van Efraïm. Hij en zijn 24.000 mannen kwamen in de elfde maand van het jaar op.
14. Commandant van het twaalfde regiment was de Netofathiet Heldai, een nakomeling van Othniël, die in de twaalfde maand van het jaar met zijn 24.000 manschappen in aktieve dienst kwam.
15. Aan het hoofd van de stammen van Israël stonden in die tijd de volgende mensen: Eliëzer, de zoon van Zichri, voor de stam van Ruben; Sefatja, de zoon van Maächa, voor de stam van Simeon; Hasabja, de zoon van Kemuël, voor de stam van Levi; Zadok, voor de nakomelingen van Aäron; Elihu, een broer van koning David, voor de stam van Juda; Omri, de zoon van Michaël, voor de stam van Issaschar; Jismaja, de zoon van Obadja, voor de stam van Zebulon; Jerimoth, de zoon van Azriël, voor de stam van Naftali; Hosea, de zoon van Azazja, voor de stam van Efraïm; Joël, de zoon van Pedaja, voor de ene helft van de stam van Manasse; Jiddo, de zoon van Zecharja, voor de andere helft van de stam van Manasse die in Gilead woonde; Jaäsiël, de zoon van Abner, voor de stam van Benjamin; Azareël, de zoon van Jeroham voor de stam van Dan.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22. Toen David zijn volkstelling hield, rekende hij de mannen van twintig jaar en jonger niet mee, want de HERE had beloofd dat Zijn volk zo talrijk zou worden als de sterren aan de hemel.
23. Joab begon met de volkstelling, maar voerde hem niet helemaal uit omdat de HERE in toorn tegen Israël uitbarstte; de uiteindelijke tellingen werden nooit opgenomen in de geschiedschrijving van koning David.
24. Azmaveth, de zoon van Adiël, had de financiële verantwoordelijkheid voor de kostbaarheden in de schatkamers van het paleis en Jonathan, de zoon van Uzzia, ging over de voorraden op het platteland en die in de steden, dorpen en forten van Israël.
25. Ezri, de zoon van Kelub, had de leiding over het werk op de koninklijke landerijen.
26. De Ramathiet Simeï was beheerder van de koninklijke wijngaarden; de Sifmiet Zabdi was verantwoordelijk voor de wijnproduktie en de opslag van de wijn.
27. Baäl-Hanan uit Gedera was verantwoordelijk voor de olijfbomen en de wilde vijgebomen, die groeiden in het laagland. Joas ging over de olijfolievoorraden.
28. Sitrai uit Saron had de verantwoording over het vee op de vlakte van Saron en Safat, de zoon van Adlai, hield toezicht op het vee in de dalen.
29. Obil, afkomstig uit het gebied van Ismaël, had de zorg voor de kamelen en Jehdeja uit Meronoth voor de ezels.
30. De schapen vielen onder de verantwoordelijkheid van de Hagriet Jaziz. Deze mannen waren de beheerders van koning Davids bezittingen.
31. Jonathan, Davids oom, was adviseur van de koning. Hij was een wijze man en fungeerde als secretaris. Jehiël, de zoon van Hachmoni, begeleidde Davids zonen.
32. Achitofel was ook een adviseur van de koning en de Arkiet Husai was Davids persoonlijke raadsman.
33. Achitofel werd terzijde gestaan door Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar. Joab was opperbevelhebber van het Israëlitische leger.
34. Maar zij bleven God uitdagen en waren opstandig tegen de Allerhoogste God. Zij hielden zich ook niet aan Zijn leefregels.

Psalmen 78:56-66
56. Zij gingen afgoden dienen en werden ontrouw, zoals eens hun voorouders. Zij beantwoordden niet aan Zijn eisen.
57. Zij tergden Hem met hun afgodenaltaren en maakten Hem jaloers met hun beeldendienst.
58. God hoorde alles en ontstak in toorn. Hij steunde het volk niet langer.
59. Hij gaf de tabernakel over in vijandige handen. Hij verliet hem.
60. Dit sieraad van God kwam in handen van de vijand.
61. Zijn volk kwam terecht in oorlogen; Hij was boos op Zijn volk.
62. De jonge mannen kwamen om en de schoonheid van de meisjes werd niet meer bezongen.
63. De priesters werden gedood en de weduwen konden niet meer huilen.
64. Toen werd de Here wakker, net als een soldaat die van de wijn in slaap gevallen was.
65. Hij sloeg Zijn tegenstanders van achteren neer en versloeg hen smadelijk.
66. Vanwege de naderende winter laat de luiaard het ploegen na; om er in de oogsttijd achter te komen dat er voor hem niets te oogsten valt.

Prediker 20:4-5
4. Het hart van een verstandig man is een onuitputtelijk reservoir van wijsheid; wie verstandig is, tracht van hem te leren.
5. In Caesarea woonde Cornelius, de commandant van het zogenaamde Italiaanse regiment.

Handelingen Apostelen 10:1-23
1. Deze man was erg gelovig. Hij en zijn hele gezin hadden diep ontzag voor God. Hij gaf veel weg aan de armen en was een man van gebed.
2. Op een middag, om een uur of drie, kreeg hij een visioen. Hij zag duidelijk een engel binnenkomen, die voor hem ging staan en zei: "Cornelius!"
3. Cornelius keek hem met grote ogen aan en begon bang te worden. "Ja, heer", stamelde hij. "Wat is er?" De engel zei: "God heeft uw gebeden gehoord en Hij heeft gezien wat u voor de armen hebt gedaan.
4. Stuur een paar mannen naar Joppe om een zekere Petrus te zoeken en hem te vragen naar uw huis te komen.
5. Hij logeert bij Simon, de leerlooier die aan zee woont."
6. Zodra de engel weg was, riep Cornelius twee van zijn huisknechten en één van zijn lijfwachten, een gelovig man.
7. Hij vertelde hun wat er gebeurd was en stuurde hen naar Joppe.
8. De volgende dag, terwijl de mannen Joppe naderden, ging Petrus het platte dak van het huis op om te bidden. Het was omstreeks het middaguur en
9. omdat hij honger had, wilde hij graag iets eten. Terwijl het eten werd klaargemaakt, raakte hij buiten zichzelf.
10. Hij zag de hemel open en er kwam iets naar beneden wat op een groot kleed leek. Het werd aan de vier hoeken vastgehouden en op de aarde neergelaten.
11. Op het kleed lagen allerlei dieren: Zoogdieren, reptielen en vogels.
12. Een stem uit de hemel zei: "Sta op, Petrus! U mag er zoveel van slachten en eten als u wilt."
13. "Maar, Here", zei Petrus. "Ik heb nog nooit iets gegeten wat voor een Jood verboden is."
14. De stem kwam opnieuw: "Als God zegt dat u iets mag eten, dan mag u het eten!"
15. Dit gebeurde drie keer en toen werd het kleed weer in de hemel opgetrokken.
16. Petrus wist er niet goed raad mee. Hij vroeg zich af wat dat visioen kon betekenen. Op datzelfde moment stonden er enkele mannen voor de deur, die gestuurd waren door Cornelius. Zij hadden het huis van de leerlooier Simon gevonden en
17. vroegen of daar ook een zekere Petrus logeerde.
18. Terwijl Petrus nog over het visioen zat na te denken, zei de Geest tegen hem: "Petrus, er zijn enkele mannen voor u.
19. Sta op, ga naar beneden en aarzel niet met hen mee te gaan, want Ik heb hen gestuurd."
20. Petrus ging naar beneden. "U zoekt mij", zei hij tegen de mannen, "maar waarom eigenlijk?"
21. Zij antwoordden: "Wij zijn gestuurd door Cornelius, een Romeins officier uit Caesarea. Hij is een goed man en heeft diep ontzag voor God. Hij wordt door de Joden op handen gedragen. Nu heeft een engel van God hem gezegd dat hij u moest vragen bij hem thuis te komen om te luisteren naar wat u te zeggen hebt."
22. Petrus vroeg de mannen binnen te komen en nodigde hen uit te blijven slapen. De volgende morgen maakte hij zich klaar en ging met hen mee, samen met enkele andere volgelingen van Jezus uit Joppe.