Bijbel in een jaar
Mei 23


1 Samuel 4:1-21
1. Samuël gaf deze woorden door aan het volk Israël. De Israëlieten hadden hun kamp opgeslagen bij Eben-Haëzer en de Filistijnen lagen bij Afek.
2. In de slag die volgde, versloegen de Filistijnen de Israëlieten en doodden zo'n 4000 man.
3. Daarna keerde het Israëlitische leger terug naar het kamp, waar de leiders zich afvroegen waarom de HERE had toegelaten dat zij werden verslagen. "Laten wij de ark vanuit Silo hierheen brengen", besloten zij. "Als wij hem meenemen wanneer we oorlog voeren, zal God bij ons zijn en ons zeker bevrijden van onze vijanden."
4. Dus lieten zij de ark van het Verbond van de HERE, Die boven de engelen troont, uit Silo halen. Hofni en Pinehas, de zonen van Eli, begeleidden de ark.
5. Toen de Israëlieten de ark zagen aankomen, ontstond er zo'n gejuich dat de aarde dreunde!
6. Daarop vroegen de Filistijnen zich af: "Wat is dat voor een gejuich in het kamp van de Hebreeën?" Toen hun werd verteld dat het gejuich werd veroorzaakt door de aankomst van de ark,
7. raakten zij in paniek. "God is in hun kamp gekomen!" riepen zij. "Wat moeten we nu? Zoiets hebben wij nog nooit meegemaakt!
8. Wie kan ons bevrijden van deze machtige goden van Israël? Het zijn dezelfde goden die de Egyptenaren met plagen vernietigden voor Israël de woestijn introk.
9. Wees moedig en vecht voor uw leven, Filistijnen, anders worden wij slaven van de Hebreeën, net zoals zij zijn geweest."
10. Toen vochten de Filistijnen opnieuw met de Israëlieten en versloegen hen weer. 30.000 Israëlieten sneuvelden die dag. De overlevenden vluchtten naar hun tenten.
11. Bovendien werd de ark van God buitgemaakt en sneuvelden Hofni en Pinehas.
12. Een man uit de stam van Benjamin verliet met spoed het slagveld en kwam nog diezelfde dag in Silo aan. Zijn kleren waren gescheurd en hij had stof op zijn hoofd. (A)
13. Eli zat langs de kant van de weg te wachten op nieuws over de strijd, want hij was erg ongerust over de ark van God. Toen de boodschapper aankwam en in de stad vertelde wat er was gebeurd, steeg een luid gejammer op.
14. "Waarom wordt daar zo geschreeuwd?" vroeg Eli zich af. De boodschapper kwam snel naar hem toe om het nieuws te vertellen.
15. Eli was op dat moment 98 jaar en totaal blind, want hij leed aan staar.
16. "Ik kom net van het slagveld; ik was daar vandaag nog", vertelde hij Eli.
17. "Israël is verslagen. Duizenden Israëlieten zijn gesneuveld, ook Hofni en Pinehas. En de ark is in handen van de Filistijnen gevallen."
18. Toen de boodschapper vertelde wat met de ark was gebeurd, viel Eli met zijn stoel achterover, vlakbij de poort. Bij die val brak hij zijn nek en stierf, want hij was oud en dik. Hij had Israël veertig jaar geleid.
19. Toen de vrouw van Pinehas, die in verwachting was, hoorde dat de ark door de Filistijnen was buitgemaakt en dat haar man en haar schoonvader dood waren, kromp zij ineen. Plotseling zetten de weeën bij haar in.
20. Zij stierf bij de bevalling. Vlak daarvoor vertelden de vrouwen die haar bij de bevalling hielpen, dat alles goed was en zij een jongetje ter wereld had gebracht. Maar zij kon nauwelijks antwoorden.
21. Toen fluisterde zij: "Ik noem het kind Ikabod, want Israëls eer is verdwenen." Ikabod betekent 'er is geen eer'. Zij noemde hem zo omdat de ark van God was buitgemaakt en haar man en schoonvader dood waren.

1 Samuel 5:1-12
1. De Filistijnen namen de buitgemaakte ark van God van het slagveld bij Eben-Haëzer mee naar de stad Asdod. Zij brachten hem de tempel van hun afgod Dagon binnen en zetten hem naast het afgodsbeeld.
2.
3. Maar toen de inwoners van de stad de volgende morgen de ark kwamen bekijken, was het beeld van Dagon met zijn gezicht op de grond voor de ark van de HERE gevallen! Zij zetten het beeld weer overeind,
4. maar de volgende morgen was de afgod opnieuw met zijn gezicht naar beneden voor de ark van de HERE gevallen. Deze keer waren zijn handen en het hoofd afgebroken en lagen op de drempel van de deur. Alleen de romp was onbeschadigd.
5. Daarom zetten de priesters en aanbidders van Dagon nooit hun voet op de drempel van de tempel van Dagon in Asdod.
6. De straffende hand van de HERE trof de inwoners van Asdod en het omringende gebied door hen te teisteren met een builenplaag.
7. Toen de mensen zich realiseerden wat er gebeurde, begonnen zij te roepen: "Wij kunnen de ark van de God van Israël niet langer hier houden. Wij zullen eraan ten onder gaan, samen met onze god Dagon."
8. De koningen van de grote Filistijnse steden overlegden wat zij het beste met de ark konden doen. Zij besloten hem naar Gath te brengen.
9. Maar toen de ark in Gath was aangekomen, trof de HERE de inwoners, jong en oud, met dezelfde plaag en er brak een enorme paniek uit.
10. Daarop stuurden zij de ark naar Ekron, maar toen de inwoners van die stad de ark zagen aankomen, riepen zij om het hardst: "Zij brengen de ark van de God van Israël hierheen om ons ook te doden!"
11. Opnieuw werden de Filistijnse koningen bijeen geroepen en de mensen smeekten hun de ark naar Israël terug te sturen, omdat anders alle inwoners zouden sterven. De plaag was inmiddels begonnen en de hele stad was de wanhoop nabij. Zij die niet stierven, kwamen onder de builen te zitten; overal kon men mensen horen kermen.
12.

Salmos 54:1-7
1. Een leerzaam gedicht van David voor de koordirigent. Te spelen met begeleiding van een snaarinstrument. Hij schreef dit nadat de Zifieten hem aan Saul hadden verraden met de woorden: "Wist u dat David zich bij ons verborgen houdt?"
2.
3. O God, bevrijd mij door Uw sterke naam. Laat Uw kracht mij recht verschaffen.
4. O God, luister naar mijn gebed, hoor toch naar de woorden van mijn mond.
5. Vreemde mensen keren zich tegen mij; geweldenaars willen mij doden. Zij denken niet aan God.
6. Luister, God is mijn helper. De Here geeft mij kracht en steunt mij.
7. God zal mij wreken tegenover de mensen die mij naar het leven staan. Vernietig hen maar in Uw trouw voor mij.

Provérbios 15:12-13
12. Een spotter houdt er niet van als hij bestraft wordt en vermijdt daarom verstandige mensen.
13. Een vrolijk hart geeft een blij gezicht, maar een treurig hart knakt de geest.

Lucas 21:1-19
1. Hij keek op en zag hoe de rijken hun gaven in de collectekist gooiden.
2. Er kwam ook een arme weduwe. Zij deed er twee koperen muntjes in.
3. "Kijk", zei Hij, "die arme weduwe heeft meer gegeven dan al de anderen bij elkaar.
4. Want de rijken hebben vanuit hun rijkdom gegeven, maar deze vrouw heeft alles gegeven wat zij had."
5. Enkele van Zijn discipelen wezen op de mooie, grote stenen van de tempel en de prachtige versieringen op de muren.
6. Maar Jezus zei: "Er komt een tijd dat al deze dingen die jullie zo mooi vinden, vernietigd worden. Geen steen zal op de andere blijven. Er zal niets van overblijven dan één grote puinhoop."
7. "Wanneer gebeurt dat, Meester?" vroegen ze Hem. "En hoe kunnen we weten dat het zover is?"
8. Hij antwoordde: "Laat je niet misleiden. Want er zullen velen komen die van zichzelf zeggen dat zij de Christus zijn en die beweren dat het einde er bijna is. Maar geloof ze niet!
9. Wanneer jullie horen over oorlogen en opstanden, raak dan niet in paniek. Die dingen moeten wel gebeuren, maar het einde komt dan nog niet.
10. Het ene volk zal tegen het andere worden opgehitst. En het ene koninkrijk tegen het andere.
11. Er zullen geweldige aardbevingen komen, hongersnoden en epidemieën. Nu hier en dan weer daar. In het heelal zullen verschrikkelijke dingen gebeuren.
12. Maar er zal eerst een tijd van bijzonder zware vervolging komen. Jullie zullen naar de synagogen en gevangenissen worden gesleurd. Jullie zullen voor koningen en andere hoge autoriteiten moeten verschijnen, terwille van mijn naam.
13. Het zullen allemaal kansen zijn om over Mij te vertellen.
14. Ga niet van tevoren bedenken wat je zult zeggen om je te verdedigen. Onthoud dat goed! Ik zal jullie de juiste woorden in de mond leggen.
15. Ik zal jullie een wijsheid geven waar je tegenstanders niet van terug hebben.
16. Zelfs je ouders, broers, familie en vrienden zullen je verraden en laten arresteren. Sommigen van jullie zullen gedood worden.
17. Iedereen zal jullie haten, omdat jullie bij Mij horen.
18. Maar geen haar op je hoofd zal gekrenkt worden. Door stand te houden, zullen jullie je leven redden.
19.