Bijbel in een jaar
Maart 26


Leviticus 26:1-46
1. U mag geen afgoden hebben; u mag geen gesneden of gegoten beelden, gewijde stenen of stenen afbeeldingen maken om die te aanbidden, want Ik ben de HERE, uw God.
2. Mijn sabbatwetten van rust moet u gehoorzamen en mijn heiligdom in ere houden, want Ik ben de HERE.
3. Als u mijn geboden gehoorzaamt en naleeft,
4. zal Ik u regelmatig regen geven en het land zal grote oogsten opleveren en de bomen zullen tot na de normale oogsttijd nog volop fruit leveren. (A) De wijndruiven zullen nog rijpen als de tijd voor het zaaien al weer aanbreekt! U zult volop te eten hebben en veilig kunnen leven in het land,
5.
6. want Ik zal u vrede geven en u zult kunnen slapen zonder angst. Ik zal de wilde dieren wegjagen en uw land zal niet door het zwaard worden geteisterd.
7. U zult uw vijanden achtervolgen; zij zullen door uw zwaard omkomen.
8. Vijf van u zullen honderd van hen achtervolgen; honderd van u tienduizend van hen! U zult al uw vijanden verslaan.
9. Ik zal voor u zorgen, u vruchtbaar maken en mijn verbond met u bevestigen.
10. Uw oogsten zullen zo groot zijn dat de overschotten van de vorige oogst plaats moeten maken voor de nieuwe oogst.
11. Ik zal temidden van u wonen en geen afkeer van u hebben.
12. Ik zal Mij onder u bevinden en uw God zijn en u zult mijn volk zijn.
13. Want Ik ben de HERE, uw God, Die u uit Egypte heeft gehaald om u niet langer slaven te laten zijn; Ik heb uw boeien verbroken en u besef van eigenwaarde gegeven, zodat u met het hoofd omhoog kunt lopen.
14. Maar als u niet naar Mij luistert, Mij niet gehoorzaamt
15. en mijn wetten minacht en verwerpt,
16. dan zal Ik het volgende tegen u doen: Ik zal u straffen met plotselinge angst en paniek, met tuberculose en brandende koorts, die de ogen blind maken en u langzaam laten wegkwijnen. U zult uw oogsten tevergeefs binnenhalen, want de vijand zal ervan eten.
17. Ik zal mijn gelaat tegen u keren en u zult op de vlucht slaan voor uw vijanden; zij die u haten, zullen over u heersen; u zult zelfs op de vlucht slaan terwijl er niemand is die u achtervolgt!
18. En als u Mij dan nog niet gehoorzaamt, zal Ik u zevenmaal zwaarder straffen voor uw zonden.
19. Ik zal uw trotse kracht breken; uw hemel dicht als ijzer en uw aarde hard als brons maken.
20. U zult uw krachten tevergeefs inspannen, want het land zal geen oogsten opleveren en de bomen geen fruit.
21. En als u zelfs dan nog niet wilt gehoorzamen en niet naar Mij wilt luisteren, zal Ik u zevenmaal zoveel plagen sturen vanwege uw zonden.
22. Ik zal toelaten dat wilde dieren uw kinderen doden, uw vee vernietigen en uw aantal uitdunnen, zodat de wegen uitgestorven zijn.
23. En als u zich dan nog niet tot Mij bekeert, maar gewoon doorgaat met tegen mijn geboden in te gaan,
24. zal Ik Zelf u zevenmaal straffen voor uw zonden.
25. Ik zal het schenden van ons verbond wreken door oorlog tegen u te veroorzaken. U zult naar uw steden vluchten en Ik zal daar de pest onder u sturen en u zult aan uw vijand worden overgeleverd.
26. Ik zal uw voedselvoorraden vernietigen, zodat één oven genoeg is om brood voor tien gezinnen te bakken; en u zult nog steeds honger hebben als u uw brood op hebt.
27. En als u nog steeds niet naar Mij wilt luisteren en Mij niet wilt gehoorzamen,
28. zal Ik mijn grimmige toorn op u loslaten en u een zevenmaal grotere straf voor uw zonden sturen.
29. U zult uw eigen zonen en dochters eten
30. en Ik zal de altaren en afgodsbeelden die u op de heuvels aanbidt, vernietigen. Ik zal uw altaren voor reukwerk met de grond gelijkmaken en uw lijken zullen tussen de afgodsbeelden liggen rotten; Ik zal een enorme afkeer van u hebben.
31. Ik zal uw steden in puinhopen veranderen, uw heilige plaatsen vernietigen en geen antwoord geven op uw reukoffers.
32. Ja, Ik zal uw land verwoesten; uw vijanden zullen erin wonen en zelfs zij zullen met ontzetting getuige zijn van wat Ik u aandoe.
33. Ik zal u onder de andere volken verstrooien en u achterna jagen met oorlog. Uw land zal een puinhoop zijn, evenals uw steden.
34. Dan zal het land uiteindelijk kunnen rusten en de jaren kunnen inhalen, waarin u het geen rust hebt gegund; want het zal al die jaren dat u gevangenen bent in het land van uw vijand, braak liggen. Ja, dan zal het land rusten en van zijn sabbatten genieten! Het zal de schade inhalen van de rust die u het elk zevende jaar hebt geweigerd te geven, toen u in het land woonde.
35.
36. En zij die mijn straffen hebben overleefd, zullen als krijgsgevangenen en slaven naar verre landen worden gesleept. Daar zullen zij in voortdurende angst leven. Het geluid van een blad dat opwaait, zal hen doen opvliegen alsof een man met een zwaard achter hen aanzit; zij zullen vallen, zonder dat er een achtervolger is.
37. En ook al is er geen vervolger, toch zullen zij in hun vlucht over elkaar struikelen, alsof zij in tijd van oorlog op de vlucht slaan, zonder de kracht te hebben tegen de vijand te vechten.
38. U zult verdwijnen onder de volken en door uw vijanden worden vernietigd.
39. De overlevenden zullen vanwege hun zonden, dezelfde zonden als die van hun vaders, wegkwijnen in vijandige landen.
40. Maar uiteindelijk zullen zij hun zonden en die van hun vaders die Mij ook ontrouw waren, belijden. Omdat zij zich tegen Mij verzetten, keerde Ik Mij tegen hen en bracht hen in het land van hun vijanden. Als hun boze hart zich vernedert en zij de straf aanvaarden, die Ik hun gaf voor hun zonden,
41.
42. zal Ik Mij mijn beloften aan Abraham, Isaäk en Jakob herinneren en Ik zal hen terugbrengen naar het land dat Ik hun beloofde.
43. Want het land zal genieten van de sabbatsrust, terwijl het braak ligt. Zij zullen voor hun ongerechtigheden boeten en hun straf aanvaarden voor het verwerpen van mijn wetten en voor de afkeer die zij hadden van mijn inzettingen.
44. Maar ondanks alles wat zij hebben misdaan, zal Ik hen niet totaal vernietigen en mijn verbond met hen niet verbreken, want Ik ben de HERE, hun God.
45. Terwille van hen zal Ik Mij de beloften aan hun voorouders, om hun God te zijn, herinneren. Want Ik haalde hun voorouders uit Egypte, terwijl alle volken met verbazing toekeken. Ik ben de HERE."
46. Dit waren de wetten, regels en geboden die de HERE op de berg Sinaï door Mozes aan het volk Israël gaf.

Leviticus 27:1-34
1. De HERE zei tegen Mozes: "Zeg het volk van Israël dat als iemand een speciale belofte doet om zichzelf aan de HERE te geven, hij in plaats daarvan deze betalingen kan doen:
2.
3. Een man in de leeftijd van 20 tot 60 jaar mag 550 gram zilver betalen;
4. een vrouw in de leeftijd van 20 tot 60 jaar mag 330 gram zilver betalen;
5. een jongen in de leeftijd van 5 tot 20 jaar mag 220 gram zilver betalen en een meisje van die leeftijd 110 gram zilver.
6. Voor een jongen in de leeftijd van één maand tot vijf jaar mag 55 gram zilver worden betaald en voor een meisje van die leeftijd 33 gram zilver.
7. Een man ouder dan 60 jaar mag 165 gram zilver betalen, een vrouw van die leeftijd 110 gram zilver.
8. Maar als de persoon te arm is om dit bedrag te betalen, zal hij bij de priester worden gebracht. Die zal het met hem bespreken en hij zal betalen wat de priester beslist.
9. Maar als het een dier is dat bij een gelofte aan de HERE is beloofd, moet het worden gegeven.
10. De belofte mag niet worden veranderd; de gever mag niet van gedachten veranderen over zijn gift aan de HERE, noch een goed dier ruilen voor een slecht of een slecht dier voor een goed; als hij dat toch doet, zullen beide giften aan de HERE toebehoren!
11. Maar als het dier dat aan de HERE wordt gegeven, niet als offerdier is toegestaan, zal de eigenaar het bij de priester brengen om de waarde te laten schatten en deze zal hem zeggen hoeveel hij in plaats van het dier moet betalen.
12.
13. Als het dier wel is toegestaan als offerdier, maar de eigenaar wil het loskopen, dan moet hij een vijfde deel meer betalen dan de waarde die de priester heeft vastgesteld.
14. Als iemand zijn huis aan de HERE wil schenken, maar het later toch wenst terug te kopen, zal de priester de waarde vaststellen en de man zal een vijfde deel meer betalen dan die geschatte waarde. Daarna zal het huis weer zijn eigendom zijn.
15.
16. Als een man een deel van zijn land aan de HERE wil geven, schat dan de waarde ervan met betrekking tot de hoeveelheid zaad die nodig is om het in te zaaien. Een stuk land waarvoor 220 liter gerstezaad nodig is om het in te zaaien, is 550 gram zilver waard.
17. Als een man zijn land in het jubeljaar aan de HERE wijdt, zal de geschatte waarde blijven staan;
18. maar als hij dat doet na het jubeljaar, zal de waarde evenredig zijn aan het aantal jaren dat nog moet verstrijken voor het volgende jubeljaar.
19. Als de man besluit het stuk land terug te kopen, zal hij een vijfde deel van de door de priester geschatte waarde extra moeten betalen en dan zal het weer zijn eigendom zijn.
20. Maar als hij besluit het land niet terug te kopen of als hij het land aan iemand anders heeft verkocht en de HERE de rechten op het land voor het jubeljaar heeft gegeven, zal het niet meer aan hem worden teruggegeven.
21. Als het in het jubeljaar vrijkomt, zal het de HERE toebehoren als iets dat aan Hem is gewijd en het zal aan de priester worden gegeven.
22. Als een man een stuk land dat hij heeft gekocht, maar dat geen deel uitmaakt van zijn familiebezittingen, aan de HERE wijdt,
23. zal de priester de waarde vaststellen tot het volgende jubeljaar. De man zal die waarde onmiddellijk aan de HERE betalen
24. en in het jubeljaar zal het stuk land weer terugkeren naar de oorspronkelijke eigenaar, van wie hij het had gekocht.
25. Alle waardebepalingen zullen worden uitgedrukt in normale geldeenheden. (A)
26. U mag niet het eerstgeborene van een rund of een schaap aan de HERE wijden, want die zijn al van Hem.
27. Maar als het het eerstgeborene is van een dier dat niet op de lijst van offerdieren voorkomt en dus niet door de HERE wordt aanvaard als offer, zal de eigenaar de door de priester geschatte waarde met een vijfde deel extra betalen. Als de eigenaar het niet terugkoopt, mag de priester het dier aan iemand anders verkopen.
28. Alles wat echter helemaal aan de HERE wordt gewijd (mensen, dieren of grondbezit) zal niet worden verkocht of teruggekocht, want zij zijn allerheiligst in de ogen van de HERE.
29. Iemand die door de rechters ter dood veroordeeld is, mag geen losprijs betalen; hij moet zeker ter dood worden gebracht.
30. Een tiende deel van de opbrengsten van het land, zowel graan als fruit, is van de HERE en dus heilig.
31. Als iemand zijn graan of fruit wil terugkopen, moet hij een vijfde deel extra betalen.
32. De HERE is eigenaar van elk tiende dier van uw kudden, het rundvee en het kleinvee, zoals zij onder uw staf doorlopen bij de telling.
33. Het tiende deel dat aan de HERE toebehoort, zal niet worden onderzocht op goede of slechte kwaliteit. Goede dieren mogen niet worden geruild voor slechte en andersom, anders zullen beide dieren aan de HERE toebehoren en kunnen niet meer worden teruggekocht!"
34. Dit zijn de wetten die de HERE op de berg Sinaï aan Mozes gaf voor het volk Israël.

Psalmen 29:1-6
1. Door David. Geef de HERE eer, bewoners van de hemelen. Bewijs Hem eer en prijs Zijn grootheid en Zijn kracht.
2. Prijs Zijn naam en buig u voor Hem neer. Trek uw mooiste feestkleding aan.
3. De stem van de HERE klinkt over de zee. De Almachtige God laat de donder weergalmen. De HERE beheerst de geweldige wateren.
4. De stem van de HERE is krachtig. De stem van de HERE is glorieus.
5. De stem van de HERE laat de cederbomen breken, zelfs de ceders van de Libanon.
6. De bomen van de Libanon springen op als kalveren en de bomen van de Hermon als woudossen.

Prediker 10:22-25
22. De zegen van de HERE maakt rijk en laat geen plaats voor ontevredenheid.
23. Zoals een boosdoener genoegen heeft in misdaden, verheugt een verstandig mens zich in wijsheid.
24. Waar de goddeloze bang voor is, gebeurt nog ook; maar God geeft de rechtvaardigen waar zij naar verlangen.
25. Verzwolgen door een wervelwind zal de goddeloze verdwijnen; de rechtvaardige staat echter op een sterk fundament.

Marcus 7:1-13
1. Op een dag kwamen er enkele Farizeeërs en godsdienstleraars uit Jeruzalem bij Jezus.
2. Zij zagen dat sommige van Zijn discipelen voor het eten hun handen niet wasten.
3. De Joden, vooral de Farizeeërs, zullen niets eten als ze niet eerst hun handen hebben gewassen. Dat hoort zo volgens hun oude traditie.
4. Als zij van de markt komen, wassen zij zich eerst en gaan dan pas eten. Er zijn veel van die oude gewoonten, waaraan zij nog altijd vasthouden. Zo spoelen zij ook bekers, potten en pannen af voordat zij die gebruiken.
5. De Farizeeërs en godsdienstleraars vroegen aan Jezus: "Waarom trekken Uw discipelen zich niets aan van de oude traditie? Zij hebben voor het eten niet eens hun handen gewassen."
6. Hij antwoordde: "Huichelaars! De profeet Jesaja had gelijk toen hij zei: 'Deze mensen kunnen heel mooi over God praten, maar in hun hart moeten zij niets van Hem hebben.
7. Zij eren Hem voor de schijn. De wetten en regels die ze de mensen opleggen, komen niet van God.' (a)
8. U houdt vast aan de traditie, maar aan Gods opdracht denkt u niet.
9. U schuift Gods gebod gewoon aan de kant en zet uw traditie ervoor in de plaats.
10. Mozes, de dienaar van God, heeft bijvoorbeeld gezegd: 'Heb respect en waardering voor uw vader en moeder. Wie kwaad spreekt van zijn ouders, moet sterven.'
11. Maar wat hebt u ervan gemaakt? 'Je hoeft je ouders niet te verzorgen als je tegen hen zegt dat je heel je bezit aan God wilt geven.'
12. Hiermee zegt u eigenlijk dat niemand zich iets van Gods woorden hoeft aan te trekken. Maar u eist wel dat iedereen doet wat uw traditie zegt. Zulk soort dingen doet u wel meer."
13.