Bijbel in een jaar
November 21


Jeremia 49:1-39
1. Wat bent u aan het doen? Waarom woont u in de steden van Israël? Heeft zij die steden niet van Mij geërfd? Waarom hebt u die Milkom vereert, Gad en al zijn steden in bezit genomen?
2. Ik zal u hiervoor straffen, verklaart de HERE, door uw stad Rabba te verwoesten. Het zal een verlaten ruïne worden en de omliggende dorpen zullen worden platgebrand. Dan zal Israël terugkeren en haar land weer van u terugnemen. Zij zal onteigenen wie haar onteigenden, zegt de HERE.
3. Schreeuw het uit, Hesbon, want Ai is verwoest! Huil, inwoners van Rabba! Trek rouwkleding aan; huil en treur, u verbergend in uw huizen, want uw god Milkom zal, samen met zijn dienaren en priesters, worden verbannen.
4. U bent trots op uw vruchtbare valleien, maar zij zullen spoedig worden verwoest. Ontrouwe dochter, u vertrouwde op uw rijkdom en dacht dat niemand u ooit iets zou kunnen aandoen.
5. Maar kijk, Ik zal u angst aanjagen, zegt de HERE, de God van de hemelse legers. Want al uw buren zullen u uit uw land verdrijven en niemand zal uw ballingen helpen wanneer zij wegvluchten.
6. Maar later zal Ik de Ammonieten weer welvaart geven, zegt de HERE.
7. DE EDOMIETEN De HERE van de hemelse legers zegt: Waar zijn al die wijze mannen, die u vroeger had? Is er niet één overgebleven in heel Teman?
8. Vlucht diep de grotten in, volk van Dedan, (A) want wanneer Ik het land van Esau straf, zal Ik u niet overslaan!
9. Zij die de druiven oogsten, laten er altijd enkele achter voor de armen en zelfs dieven nemen nooit alles mee, maar Ik zal het land van Esau volledig afstropen en er zullen geen schuilplaatsen meer zijn. Haar kinderen, haar broeders, haar buren, allen zullen worden vernietigd en zijzelf zal eveneens omkomen.
10.
11. Maar Ik zal uw wezen, die u rustig kunt achterlaten, beschermen en ook uw weduwen kunnen op Mij vertrouwen.
12. De HERE zegt tegen Edom: Als zelfs de onschuldigen moeten lijden, waarom zou u dan ongestraft blijven? U zult net als zij deze beker van het oordeel leegdrinken!
13. Want Ik heb bij mijn eigen naam gezworen, zegt de HERE, dat Bozra in een ruïne zal veranderen (vervloekt en verafschuwd) en haar steden zullen altijd puinhopen blijven.
14. Ik heb deze boodschap van de HERE gehoord: Hij heeft een boodschapper gestuurd, die er bij de volken op aandringt zich aaneen te sluiten om Edom te vernietigen. "Maak u klaar voor de strijd", roept hij.
15. Ik zal u zwak maken temidden van de volken en zij zullen u allemaal haten, zegt de HERE.
16. U bent misleid door uw roem en trots, u die daar in de rotskloven en op de bergen woont. Maar ook al woont u tussen de bergtoppen bij de adelaars, Ik zal u naar beneden halen, zegt de HERE.
17. Het lot van Edom zal vreselijk zijn; allen die voorbijlopen, zullen schrikken en spottend het hoofd schudden.
18. Uw steden zullen net zo stil worden als Sodom en Gomorra en de steden daar in de buurt, zegt de HERE. Niemand zal er nog kunnen leven.
19. Ik zal de vijand op hen af sturen als een leeuw, die uit de wildernis van de Jordaan komt om de schapen te overvallen. In een oogwenk zal Ik Edom wegjagen en Ik zal iemand van mijn keus deze taak opdragen. Want wie is aan Mij gelijk en wie kan Mij ter verantwoording roepen?
20. Welke herder blijft tegenover Mij op de been? Neem er daarom nota van: De HERE zal dit vast en zeker doen met Edom en het volk van Teman; zelfs kleine kinderen zullen als slaven worden weggesleept! Het zal vreselijk zijn om te zien.
21. De aarde beeft door het lawaai van Edoms val; het geschreeuw van haar inwoners is tot bij de Rode Zee te horen.
22. Degene die zal komen, heeft de snelle vlucht van een arend en zal zijn vleugels over Bozra uitspreiden. Dan zal de moed van de beste strijders verdwijnen als die van vrouwen die moeten bevallen.
23. DAMASCUS De steden Hamath en Arpad zijn verstijfd van angst, want zij hebben het slechte nieuws over hun toekomst gehoord. Het stormt in hun harten.
24. Damascus heeft alle moed laten zakken en haar inwoners slaan op de vlucht. Angst, vertwijfeling en pijn hebben haar in de macht als een vrouw tijdens de bevalling.
25. Beroemde stad, stad van mijn blijdschap, wat ligt u er nu verlaten bij!
26. Uw jonge mannen zullen dood in de straten liggen; uw hele leger zal in één dag worden vernietigd, zegt de HERE van de hemelse legers.
27. Bij de muren van Damascus zal Ik een vuur aansteken dat de paleizen van Benhadad in de as zal leggen.
28. KEDAR EN HAZOR Deze profetie spreekt over Kedar (B) en de koninkrijken van Hazor, die zullen worden verwoest door koning Nebukadnezar van Babel. Maak u klaar en val Kedar aan, zegt de HERE. Vernietig de stammen in het oosten.
29. Hun kuddes en tenten zullen worden buitgemaakt, samen met al hun huisraad. Hun kamelen zullen worden weggehaald en overal zal in paniek worden geschreeuwd: "Wij zijn aan alle kanten omsingeld!"
30. Vlucht voor uw leven, zegt de HERE. Ga diep de woestijn in, volk van Hazor, (C) want koning Nebukadnezar van Babel heeft een aanslag op u beraamd en maakt zich klaar om u te vernietigen.
31. Ga, zegt de HERE tegen koning Nebukadnezar. Val die rijke bedoeïnenstammen aan, die daar eenzaam in de woestijn wonen, zonder zich ergens zorgen over te maken. Zij scheppen voortdurend op dat zij wel voor zichzelf kunnen zorgen en geen muren of poorten nodig hebben.
32. Hun kamelen en kudden vee zijn voor u. Ik zal deze heidenen (D) als door de wind uiteenjagen. Van alle kanten zal Ik rampen over hen laten komen.
33. Hazor zal veranderen in een tehuis voor jakhalzen uit de woestijn. Niemand zal zich daar nog vestigen. Het zal voor altijd uitgestorven zijn.
34. ELAM Gods boodschap over Elam kreeg Jeremia aan het begin van de regering van koning Zedekia van Juda:
35. De HERE van de hemelse legers zegt: Ik zal het leger van Elam vernietigen
36. en Ik zal het volk van Elam in alle windrichtingen verspreiden; het zal verbannen worden naar alle landen van de wereld.
37. Mijn vreselijke toorn zal een grote ramp over Elam brengen, zegt de HERE, en Ik zal ervoor zorgen dat haar vijanden haar wegvagen. Met het zwaard zal Ik haar achterna zitten en haar voorgoed uit de weg ruimen.
38. Ik zal mijn troon in Elam neerzetten, zegt de HERE. Ik zal haar koning en bewindslieden vernietigen.
39. Maar in de laatste dagen zal Ik het volk zijn welvaart teruggeven, zegt de HERE.

Jeremia 50:1-46
1. Dit is de boodschap van de HERE, gericht tegen Babel en de Chaldeeën, uitgesproken door de profeet Jeremia:
2. Vertel heel de wereld dat de stad Babel zal worden ingenomen; haar god Bel zal voor schut worden gezet en Marduk zal worden vernederd! Hetzelfde geldt voor hun afbeeldingen.
3. Want uit het noorden zal een volk op haar neerkomen met zo'n vernietigende kracht dat er nooit meer iemand zal wonen: alles zal verdwijnen; mens en dier zullen vluchten.
4. Dan zullen de inwoners van Israël en Juda bijeenkomen. Zij zullen huilen en de HERE, hun God, zoeken; zij zullen de weg vragen naar Sion en beginnen aan de terugweg naar huis. "Vooruit", zullen zij zeggen, "laten we ons met de HERE verenigen door een eeuwig verbond, dat nooit meer zal worden verbroken."
5.
6. De mensen van mijn volk leken op een kudde verdwaalde schapen. Hun herders hebben hen weggeleid en in de bergen losgelaten. Zij raakten de weg kwijt, dwaalden wat rond en wisten niet meer hoe zij terug moesten komen bij de weide.
7. Ieder die hen tegenkwam, verslond hen en zei: "Wij kunnen deze mensen ongestraft aanvallen, want zij hebben gezondigd tegen de HERE, de God van gerechtigheid, de hoop van hun voorouders."
8. Maar nu, vlucht weg uit Babel, uit het land van de Chaldeeën; leid mijn volk weer naar huis, net als geiten die in de kudde voorop gaan.
9. Want kijk, Ik verzamel een leger van grote volken uit het noorden dat Babel zal aanvallen en vernietigen. De pijlen van de vijand gaan recht op hun doel af, zij missen niet!
10. Babel zal worden leeggeroofd, tot iedere plunderaar genoeg heeft, zegt de HERE.
11. Ook al was u blij, Chaldeeën, plunderaars van mijn volk, al bent u zo vet als koeien die in malse weiden grazen en al hinnikt u als hengsten,
12. toch zal uw moeder worden overladen met schaamte, want zij zal de minste onder de volken worden, een wildernis, een droog en woest land.
13. Door de toorn van de HERE zal Babel een troosteloze woestenij worden, waar geen mens zal wonen. Voorbijgangers zullen het hoofd schudden en u uitlachen om al uw wonden.
14. Ja, maak u klaar voor het gevecht tegen Babel, alle volken rondom; laten uw boogschutters op haar schieten, spaar geen pijlen, want zij heeft gezondigd tegen de HERE.
15. Schreeuw naar haar van alle kanten. Kijk! Zij geeft zich al over! Haar muren worden omvergetrokken. De HERE heeft wraak genomen. Neem nu zelf wraak en behandel haar zoals zij anderen heeft behandeld!
16. Stuur de boerenknechten weg. Laten zij naar hun eigen land terugvluchten als de vijand in aantocht is.
17. Israël lijkt op een schaap dat door de leeuwen wordt opgejaagd. Eerst at de koning van Assyrië hem op; toen verbrijzelde koning Nebukadnezar van Babel zijn beenderen.
18. Daarom zegt de HERE van de hemelse legers, de God van Israël: Nu zal Ik de koning van Babel en zijn land net zo straffen als de koning van Assyrië.
19. Ik zal Israël weer terugbrengen naar haar eigen land, naar de vruchtbare velden van Karmel en Basan, waar zij haar hongerige maag weer kan vullen op de bergen van Efraïm en Gilead.
20. In die dagen, zegt de HERE, zal geen schuld worden gevonden in Israël of Juda, want Ik vergeef het overblijfsel dat Ik heb beschermd.
21. Strijders van Mij, trek op tegen het land Merathaïm (A) en tegen het volk van Pekod. (B) Ja, marcheer naar Babel, laat daar niets heel en doodt de bevolking, zoals Ik u heb opgedragen.
22. Laat de oorlogskreet door dat land klinken, de kreet van de totale vernietiging.
23. Babel, de machtigste hamer van de hele aarde, is nu zelf gebroken en ligt in stukken. Babel vervult alle volken met verbazing!
24. O Babel, Ik heb een val voor u gezet en u bent erin gelopen, want u hebt tegen de HERE gevochten.
25. De HERE heeft Zijn arsenaal geopend en de wapens van Zijn toorn tevoorschijn gehaald. De straf die over Babel komt, zal het werk zijn van de HERE, de God van de hemelse legers.
26. Ja, val haar aan vanuit verre landen; breek haar opslagplaatsen open; maak haar muren en huizen met de grond gelijk en verwoest haar helemaal. Laat niets heel.
27. Zelfs haar jonge vee niet! Dood alles! De tijd van oordeel is voor Babel gekomen.
28. Maar mijn volk zal vluchten; de mensen zullen ontsnappen naar hun eigen land en daar vertellen hoe de HERE, hun God, in Zijn toorn wraak neemt op degenen die Zijn tempel hebben verwoest.
29. Laat een oproep uitgaan voor boogschutters om naar Babel te komen; omsingel de stad, zodat niemand kan ontkomen. Behandel haar zoals zij anderen behandelde, want zij heeft zich verzet tegen de HERE, de Heilige van Israël.
30. Haar mannen zullen in de straten neervallen en sterven; al haar strijders zullen worden gedood, zegt de HERE.
31. Want kijk, Ik ben tegen u; u bent een arrogant volk en nu is de dag van de afrekening gekomen.
32. Trots land, u zult struikelen en vallen en niemand zal u helpen opstaan, want de HERE zal in de steden van Babel een vuur aansteken dat alles zal verbranden.
33. De HERE van de hemelse legers zegt: Het volk van Israël en Juda wordt onrecht aangedaan. Degenen die hen gevangen hebben genomen, houden hen vast en weigeren hen te laten gaan.
34. Maar hun verlosser is sterk. Zijn naam is HERE van de hemelse legers. Hij zal hun recht verdedigen en ervoor zorgen dat zij worden bevrijd en weer in rust en vrede in Israël kunnen wonen. Maar wat de Babyloniërs betreft: voor hen zal er geen rust zijn!
35. Het zwaard van de vernietiging zal de Chaldeeën slaan, zegt de HERE. Het zal het volk van Babel slaan en ook haar bewindslieden en wijze mannen.
36. Al haar valse profeten zullen hun verstand verliezen! Haar dapperste strijders zullen in paniek raken!
37. De oorlog zal haar paarden en strijdwagens verslinden en alle vreemdelingen in haar leger zullen zwak worden als vrouwen. Haar schatten zullen allemaal worden geroofd;
38. zelfs haar watervoorraden zullen opdrogen. En waarom? Omdat dit hele land vol staat met afgodsbeelden en haar inwoners opscheppen over hun gruwelijke praktijken.
39. Daarom zal de stad Babel struisvogels en jakhalzen als inwoners krijgen; zij zal het thuis worden van de wilde dieren uit de woestijn. Zij zal nooit meer worden bewoond door mensen; de stad zal voor altijd uitgestorven zijn.
40. De HERE verklaart dat Hij Babel zal vernietigen, net zoals hij deed met Sodom en Gomorra en de nabijgelegen steden. Sinds die tijd heeft daar niemand meer gewoond en ook in Babel zal niemand meer wonen.
41. Kijk, een groot leger uit het noorden is in aantocht! Het wordt geleid door vele koningen, die God uit verre landen heeft opgeroepen.
42. Zij zijn volledig uitgerust voor de slag; zij zijn wreed en meedogenloos. Het hoefgetrappel van hun paarden klinkt als een golf die zich op de kust werpt. O Babel, zij vallen u aan, tot de tanden gewapend en klaar voor de strijd.
43. De koning van Babel heeft het bericht ontvangen; zijn armen hangen slap langs zijn zijden; de angst overvalt hem als de weeën een bevallende vrouw.
44. Ik zal een aanvaller op hen afsturen, die hen plotseling zal overvallen, net als een leeuw uit de wildernis van de Jordaan, die op de grazende schapen loert. In een oogwenk zal Ik Babel wegjagen. Maar wie zal Ik kiezen om over haar te regeren? Want wie kan zich met Mij vergelijken? Welke heerser kan tegen mijn wil ingaan? Wie kan Mij ter verantwoording roepen?
45. Luister naar het plan van de HERE tegen Babel, het land van de Chaldeeën. Want zelfs kleine kinderen zullen als slaven worden weggesleept. O, wat een verschrikking, wat een angst zal er zijn!
46. De hele aarde zal beven door de val van Babel en haar kreet van vertwijfeling zal over de hele wereld worden gehoord.

Psalmen 119:121-128
121. Ik heb altijd eerlijk en oprecht geleefd; laten mijn vijanden mij niet in hun macht krijgen.
122. Stelt U Zich garant voor mij en zorg ervoor dat ongelovigen mij niet achtervolgen.
123. Ik verlang ernaar U te zien en Uw rechtvaardig woord te horen.
124. Wilt U met Uw goedheid en liefde met mij omgaan en mij alles leren over Uw wetten.
125. Ik ben Uw dienaar; maak mij verstandig, zodat ik Uw wetten kan begrijpen.
126. HERE, voor U is de tijd aangebroken om op te treden, want men heeft Uw wetten overtreden.
127. Ik houd van Uw geboden; meer dan van het mooiste goud.
128. Daarom geloof ik ook dat al Uw bevelen rechtvaardig zijn; ik haat de leugen.

Prediker 28:6-6
6. Een arme, die oprecht en eerlijk leeft, is beter dan een zondaar, ook al is die rijk.

Titus 1:1-16
1. Van: Paulus. Aan: Titus, mijn kind in het geloof. Ik ben een dienaar van God en een apostel van Jezus Christus. God heeft mij er op uitgestuurd om het geloof te brengen aan de mensen die door Hem zijn uitgekozen en om hun de waarheid over God te laten kennen.
2. Door die waarheid leiden zij een leven naar Gods wil en ontvangen het eeuwige leven, dat God voor het begin van de wereld beloofd heeft; en Hij liegt niet. Toen God vond dat de tijd ervoor gekomen was, heeft Hij dit goede nieuws bekendgemaakt en
3. mocht ik het iedereen gaan vertellen. God, onze Redder, heeft mij opgedragen dit werk voor Hem te doen.
4. Ik wens je de genade en de vrede van God, de Vader, en van onze Here Jezus Christus toe.
5. Ik heb je op het eiland Kreta achtergelaten om te doen wat daar nog nodig was, namelijk in de gemeente van elke stad leiders aan te stellen, die zich zullen houden aan wat ik heb gezegd.
6. Op de mannen die je uitkiest, mag niets aan te merken zijn; zij mogen slechts één vrouw hebben; hun kinderen moeten de Here liefhebben en er mag niet van hen gezegd kunnen worden dat zij vrijgevochten of ongehoorzaam zijn.
7. Omdat zij leiding aan de gemeente moeten geven, moeten zulke leiders een zuiver leven leiden. Zij mogen niet trots of ongeduldig zijn; zij mogen niet veel drinken en ook niet driftig of hebzuchtig zijn.
8. Zij moeten hun gasten hartelijk ontvangen en al het goede liefhebben. Zij moeten ook verstandig en eerlijk zijn en bovendien geestelijk en sober.
9. Hun geloof in de waarheid die hun geleerd is, moet sterk en onwrikbaar zijn. Dan zullen zij anderen kunnen bemoedigen en de tegenstanders de mond kunnen snoeren.
10. Want er zijn er velen die weigeren te gehoorzamen; dat geldt in het bijzonder voor de Joden onder hen, die onzin spreken en beweren, dat christenen zich aan de Joodse wetten moeten houden. (A)
11. Deze mensen moeten tot zwijgen worden gebracht; het brengt hele families in verwarring. Daar moet een einde aan komen. Dat soort leraars brengt een verkeerde leer en is alleen maar op geld uit.
12. Eén van hun eigen mensen, een profeet van Kreta, heeft over hen gezegd: "De Kretenzers zijn allemaal leugenaars; zij zijn lui en denken alleen maar aan veel eten."
13. Dat is waar. Pak de christenen van Kreta dan ook hard aan, zodat zij sterk worden in het geloof en
14. niet langer luisteren naar Joodse fabeltjes en naar mensen die de waarheid de rug hebben toegekeerd.
15. Wie zuiver van hart is, ziet in alles het goede en zuivere. Maar wie in zijn hart slecht en onbetrouwbaar is, ziet in alles het slechte; want alles wat hij ziet en hoort, wordt door zijn verkeerde gedachten en zijn opstandige hart besmet.
16. Zulke mensen zeggen wel dat zij God kennen, maar uit hun doen en laten blijkt dat het niet waar is. Zij zijn door-en-door slecht en ongehoorzaam; er komt niets goeds uit hun handen.