Error:
BookNum: 61 Chapter: 2 VerseStart: 22 VerseShouldHave: 21

Bijbel in een jaar


December 8


Daniël 5:1-30
1. Koning Belsazar nodigde 1000 hoge bestuurders uit voor een groots feest, waarbij de wijn rijkelijk vloeide.
2. Onder het genot van de wijn bedacht Belsazar dat zijn vader Nebukadnezar eens gouden en zilveren bekers had meegenomen uit de tempel in Jeruzalem. Hij liet deze heilige bekers halen, zodat hij en zijn hoge ambtenaren, zijn vrouwen en bijvrouwen eruit konden drinken. De bekers uit de tempel, Gods huis in Jeruzalem, werden gebracht. De wijn werd ingeschonken en de koning en zijn bestuurders, zijn vrouwen en bijvrouwen, hieven het glas op hun goden, gemaakt van goud en zilver, koper, ijzer, hout en steen.
3.
4.
5. Plotseling verschenen er vingers van een mensenhand, die iets schreven op de gepleisterde muur tegenover de kandelaar. De koning zag met eigen ogen de rug van de schrijvende hand.
6. Hij verbleekte en werd bang. Zo bang dat zijn knieën knikten en zijn benen het begaven.
7. "Breng de bezweerders, astrologen en waarzeggers hier!" schreeuwde hij. "Wie kan lezen wat daar op de muur staat en mij vertelt wat het betekent, zal worden gekleed in purperen kleren van koninklijke waardigheid en een gouden ketting om zijn hals krijgen. Hij zal als derde man het koninkrijk regeren!"
8. Maar toen de geleerden kwamen, kon geen van hen het geschrevene begrijpen of verklaren. (A)
9. De angst van de koning nam toe. Zijn gezicht was doodsbleek en ook zijn bestuurders waren ontzet.
10. Toen de koningin de kreten hoorde, haastte zij zich naar de feestzaal en zei tegen Belsazar: "Majesteit! Het is niet nodig zo bang te worden!
11. Er is een man in uw koninkrijk in wie de geest van heilige goden woont. In de tijd van uw vader bleek deze man te beschikken over grote wijsheid en diep verstand, een wijsheid als die van de goden. Uw vader Nebukadnezar benoemde hem tot hoofd van de geleerden, bezweerders, astrologen en waarzeggers.
12. Laat deze man Daniël, of Beltsazar zoals de koning hem noemde, hier komen. Hij is enorm wijs en heeft buitengewoon veel kennis en inzicht. Hij kan dromen verklaren, raadselachtige spreuken oplossen en knopen ontwarren. Hij zal u kunnen vertellen wat deze woorden betekenen."
13. Daniël werd in allerijl naar de koning gebracht en de vorst vroeg: "Bent u de Daniël, die mijn vader uit Juda heeft weggevoerd?
14. Ik heb gehoord dat de geest van de goden in u woont en dat u beschikt over een bijzondere verlichting, een groot verstand en erg veel wijsheid.
15. Mijn wijze mannen en bezweerders zijn bij mij geweest en hebben geprobeerd de woorden op de muur te lezen en die aan mij te verklaren, maar zij waren daartoe niet in staat.
16. Ik heb echter gehoord dat u allerlei geheimen kunt ontsluieren. Welnu, als u mij de betekenis van deze woorden kunt uitleggen, zult u worden gekleed in purperen kleren en een gouden ketting om uw hals krijgen. Bovendien zult u als derde man regeren over mijn rijk."
17. Daniël antwoordde: "Geef uw geschenken maar aan een ander. Ik zal u evengoed wel vertellen wat daar staat en wat het betekent.
18. Majesteit, de Allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar een koninkrijk en eer, luister en majesteit geschonken.
19. Hij schonk hem zoveel macht, dat alle volken ter wereld voor hem beefden van angst en ontzag. Hij doodde wie hij wilde en spaarde, wie bij hem in de gunst stond. Naar zijn believen werden mensen verhoogd of vernederd.
20. Maar toen hij trots en overmoedig werd, is hij van de troon gestoten en van zijn eer beroofd.
21. Hij werd verstoten uit de samenleving en zijn innerlijk veranderde in dat van een dier. Hij woonde bij de wilde ezels, at gras als een koe en zijn lichaam werd nat van de dauw uit de hemel. Dat bleef zo tot hij erkende dat de Allerhoogste God de opperheerschappij voert over alle koninkrijken op aarde en dat Hij daarin aanstelt wie Hij wil.
22. U, zijn zoon Belsazar, was van dit alles op de hoogte, maar u hebt u desondanks niet vernederd.
23. Want u hebt zich boven de Here van de hemel willen verheffen en u hebt deze bekers, die uit Zijn tempel afkomstig zijn, hier laten brengen. U en uw hoge ambtenaren, vrouwen en bijvrouwen hebben daaruit wijn gedronken en het glas geheven op uw afgoden, die niet kunnen zien of horen of iets begrijpen. Maar u hebt niet de God vereerd Die uw adem in Zijn hand heeft en over uw levenslot beschikt.
24. Daarom heeft God deze vingers gestuurd om deze boodschap op te schrijven: 'Mene, mene, tekel ufarsin.'
25.
26. De uitleg is: 'Mene' betekent 'geteld': God heeft de dagen van uw regering geteld en zij zijn ten einde.
27. 'Tekel' betekent 'gewogen': U bent gewogen en te licht bevonden.
28. 'Peres' betekent 'verdeeld': Uw koninkrijk zal aan de Meden en Perzen worden gegeven."
29. Op Belsazars bevel trok men Daniël purperen kleren aan en hing hem een gouden ketting om zijn hals. Hij werd benoemd tot derde heerser over het rijk.
30. Nog diezelfde nacht stierf Belsazar, de koning van de Chaldeeën.

Daniël 6:1-28
1. Na de dood van Belsazar kwam Darius, de Meder (A) aan de macht. Hij was toen 62 jaar.
2. Hij benoemde 120 gouverneurs, die ieder een deel van het rijk moesten besturen.
3. Zij waren verantwoording verschuldigd aan drie onderkoningen, van wie Daniël er één was. Zo ontstond een doeltreffende regeringsstructuur.
4. Al gauw bleek dat Daniël met kop en schouders uitstak boven de beide andere onderkoningen en de gouverneurs. Hij bleek buitengewoon begaafd. De koning dacht er zelfs over hem de hoogste post in het koninkrijk te geven.
5. Dit zette kwaad bloed bij de twee andere onderkoningen en de gouverneurs. Zij probeerden een fout te vinden in Daniëls beleid, zodat zij een aanklacht tegen hem konden indienen bij de koning. Maar zij konden geen enkele fout ontdekken! Hij was eerlijk en betrouwbaar en boven alle kritiek verheven.
6. "Het enige wat overblijft, is hem aan te vallen op zijn godsdienst!" concludeerden zij.
7. Zij gingen naar de koning en zeiden met veel nadruk: "Koning Darius, leef in eeuwigheid!
8. Wij, onderkoningen, functionarissen, gouverneurs, adviseurs en landvoogden, zijn unaniem tot de slotsom gekomen dat u een koninklijk besluit moet uitvaardigen. Daarin moet u bepalen dat ieder die de komende dertig dagen een verzoek richt tot een god of een mens, behalve tot u, in de leeuwenkuil zal worden geworpen.
9. Majesteit, wij verzoeken u onder dit verbod uw handtekening te zetten, zodat het onder geen enkele omstandigheid kan worden ingetrokken of herroepen. Het moet een 'wet van Meden en Perzen' zijn."
10. Koning Darius ondertekende dat koninklijke besluit.
11. Toen Daniël hoorde dat deze wet was uitgevaardigd, ging hij naar huis. Zoals gewoonlijk knielde hij boven in zijn slaapkamer, waar hij open vensters in de richting van Jeruzalem had. Driemaal per dag ging hij daar in gebed en loofde zijn God. Ook nu week hij niet van deze gewoonte af.
12. Toen drongen de mannen Daniëls huis binnen en vonden hem terwijl hij bad tot God.
13. Zij haastten zich naar de koning en herinnerden hem aan zijn verbod. "U hebt toch een verbod uitgevaardigd", zeiden zij, "dat niemand toestaat binnen dertig dagen een verzoek te richten tot een god of mens, behalve tot u? En zouden de overtreders van dat gebod niet in de leeuwenkuil worden gegooid?" "Jazeker", antwoordde de koning, "het is een 'wet van Meden en Perzen' en kan niet worden herroepen."
14. Toen vertelden zij de koning: "Daniël, één van de Joodse ballingen, trekt zich niets aan van u of uw verbod. Driemaal per dag gaat hij bidden."
15. Toen hij dat hoorde, kreeg de koning heel erg spijt dat hij de wet had ondertekend. De rest van de dag piekerde hij erover hoe hij Daniël uit deze netelige situatie kon redden.
16. 's Avonds kwamen de mannen terug en zetten de koning nog meer onder druk: "Majesteit, u weet dat het een 'wet van Meden en Perzen' is. Geen enkel verbod of besluit dat door u getekend is, mag veranderd worden."
17. Uiteindelijk gaf de koning bevel Daniël gevangen te nemen en in de leeuwenkuil te gooien. De koning zei nog tegen hem: "Ik hoop dat uw God, Die u zo trouw dient, u zal bevrijden!"
18. Er werd een steen voor de opening van de kuil gerold en de koning verzegelde hem met zijn eigen zegelring en met die van zijn regeringsleiders. Zo kon niemand Daniël nog redden van de leeuwen.
19. De koning ging terug naar zijn paleis en vastte die nacht. Hij wilde ook niet dat één van zijn vrouwen bij hem kwam en lag de hele nacht wakker.
20. De volgende morgen stond hij heel vroeg op en haastte zich naar de leeuwenkuil.
21. Bij de kuil gekomen, riep hij met verdrietige stem: "Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God Die u zo trouw dient, u kunnen bevrijden van de leeuwen?"
22. Toen hoorde hij een stem! "Majesteit, ik wens u een lang leven toe!" Het was Daniël!
23. "Mijn God heeft Zijn engel gestuurd", zei Daniël, "om de muil van de leeuwen dicht te houden, zodat zij mij niet zouden verscheuren. Want in Gods ogen ben ik onschuldig en ook tegen u heb ik niets misdaan."
24. De koning was geweldig blij en beval Daniël uit de kuil omhoog te trekken. Hij bleek totaal ongedeerd te zijn, dank zij zijn vertrouwen op God.
25. De koning gebood de mannen te halen, die de aanklacht tegen Daniël hadden ingediend, en zij werden met hun vrouwen en kinderen in de leeuwenkuil gegooid. Nauwelijks waren zij in de kuil terechtgekomen of de leeuwen stortten zich op hen en verbrijzelden zelfs hun beenderen.
26. Toen schreef koning Darius aan alle onderdanen in zijn rijk: "Wij wensen u veel vrede en voorspoed!
27. Hierbij bepaal ik dat men in alle delen van mijn koninkrijk diepe eerbied en ontzag moet hebben voor de God van Daniël. Want Hij is de levende God, Die eeuwig blijft. Wiens koninkrijk nooit wankelt en aan Wiens macht nooit een einde zal komen.
28. Hij bevrijdt en redt Zijn volk en doet indrukwekkende wonderen in hemel en op aarde. Hij is de God, Die Daniël heeft verlost uit de macht van de leeuwen."

Psalmen 136:10-26
10. Hij doodde elke eerstgeborene in Egypte. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
11. Hij leidde het volk Israël het land Egypte uit. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
12. Dat gebeurde door Zijn kracht en onder Zijn leiding. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
13. Hij maakte een droog pad dwars door de Schelfzee. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
14. Zo liet Hij het volk Israël oversteken. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
15. Maar Farao en zijn leger verdronk Hij in de Schelfzee. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
16. Hij leidde Zijn volk door de woestijn. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
17. Hij versloeg koningen en grote volken. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
18. Machtige koningen doodde Hij. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
19. Koning Sihon bijvoorbeeld van de Amorieten. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
20. En koning Og van Basan. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
21. Hun land schonk Hij aan Zijn volk. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
22. Het werd het eigendom van Zijn dienaar Israël. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
23. Toen wij werden vernederd, heeft Hij ons geholpen. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
24. Hij heeft ons bevrijd van onze vijanden. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
25. Alles wat leeft, wordt door Hem gevoed. Want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
26. Prijs de Allerhoogste God, want Zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.

Prediker 29:12-13
12. Een leider, die naar leugens luistert, heeft goddeloze dienaars.
13. De overeenkomst tussen een arm mens en een machthebber is dat beiden van God het licht in de ogen hebben gekregen.

2 Petrus 2:1-22
1. Maar zoals er vroeger mensen waren die niet echt namens God spraken, zo zullen er ook onder u mensen komen, die dingen leren die niet waar zijn. Op een heel slimme manier vertellen zij leugens over God; zij willen zelfs niets meer weten van hun Meester, Die hen heeft vrijgekocht. Maar daardoor hollen zij hun ondergang tegemoet.
2. Zij zullen vele mensen zover weten te krijgen dat die er ook maar op los gaan leven. En het is hun schuld dat het leven met Christus belachelijk wordt gemaakt.
3. Deze zogenaamde leraars zijn zo hebzuchtig, dat zij u van alles zullen wijsmaken om maar geld van u los te krijgen. Maar God heeft hen al veroordeeld en hun straf zal niet lang op zich laten wachten.
4. God heeft zelfs opstandige, ongehoorzame engelen niet gespaard, maar in de afgrond gegooid waar zij in donkere holen opgesloten blijven tot de dag van het grote oordeel.
5. Hij spaarde ook de mensen niet die vlak voor de grote overstroming leefden, behalve Noach die de mensen opriep voor God te gaan leven en zijn zeven familieleden. Maar God liet alle andere mensen, die niets van Hem wilden weten, door de grote overstroming verdrinken.
6. Later keerde Hij de steden Sodom en Gomorra ondersteboven en bedekte ze met as; zij werden volledig verwoest. Daarmee stelde Hij een voorbeeld voor alle mensen die niets van Hem willen weten.
7. Maar de Here redde Lot uit Sodom, omdat die aan Zijn kant stond.
8. Lot werd ziek en misselijk van de uitspattingen en de losbandigheid, die hij dagelijks om zich heen zag.
9. De Here kan de mensen, die doen wat Hij wil en Hem liefhebben, helpen de verleidingen te weerstaan; en Hij weet tot de grote oordeelsdag Zijn straf te bewaren voor de mensen, die zich niets van Hem aantrekken.
10. Dat laatste geldt vooral voor hen die zich aan hun zwoele hartstochten overgeven, voor hen die trots en eigenzinnig zijn, die zich van enig gezag niets aantrekken en zonder blikken of blozen met geestelijke machten durven te spotten.
11. Zelfs de engelen, die in de nabijheid van God leven en veel groter en machtiger zijn dan deze zogenaamde leraars, zullen deze machten niet beledigen of beschuldigen.
12. Deze zogenaamde leraars hebben niet meer verstand dan wilde dieren, die geboren zijn om gevangen en verslonden te worden. Zij lachen om de geestelijke machten, waar ze in feite niets van weten. Maar zij zullen samen met die machten vernietigd worden.
13. Zij zullen het loon krijgen dat zij verdienen voor al het kwaad dat zij hebben gedaan. Zij vinden het heerlijk zich overdag aan van alles te buiten te gaan. Zij zijn een schande voor God en voor u. Terwijl zij bij u aan tafel zitten, bedenken zij wat hun volgende sluwe streek zal zijn.
14. Zij zijn altijd op zoek naar vrouwen die met hen naar bed willen; zij krijgen nooit genoeg van de zonde; zij verleiden mensen die niet zo vast in hun schoenen staan; hun hele leven wordt beheerst door de hebzucht, maar zij zullen niet aan de straf ontkomen.
15. Zij zijn van de rechte weg afgedwaald en volgen het spoor van Bileam, de zoon van Beor, die het niet erg vond iets verkeerds te doen, zolang hij er maar voor betaald werd.
16. Maar hij werd terechtgewezen door zijn ezel, die met de stem van een mens tegen hem sprak. Dat stomme dier weerhield hem ervan domme dingen te doen.
17. Deze mensen zijn net opgedroogde bronnen; zij beloven veel, maar geven weinig. Zij zijn net wolken die door de wind worden voortgejaagd. Wat hun te wachten staat, is de zwarte duisternis.
18. Zij pochen op hun veroveringen en zonden. Door een beroep te doen op de hartstochten, weten zij mensen te verleiden die pas hun oude, verkeerde leven de rug hebben toegekeerd.
19. Zij spiegelen hun vrijheid voor, terwijl zij zelf slaven van het verderf zijn; want als de mens zich aan iets overgeeft, is hij er een slaaf van.
20. Als iemand, door de Here en Redder Jezus Christus te aanvaarden, aan de verkeerde levenswijze van de wereld is ontsnapt, maar er zich later weer door laat inpalmen en overmeesteren, is hij er slechter aan toe dan ooit tevoren.
21. Het zou beter zijn geweest als hij nooit had geweten hoe hij rechtvaardig leven moest. Maar nu hij het grote gebod kent en er niets meer van wil weten, geldt voor hem dit oude spreekwoord: "Een hond keert terug naar zijn eigen braaksel", en ook: "Een gewassen varken wentelt zich toch weer in de modder." (A)