Bijbel in een jaar
September 23


Wijsheid 1:1-17
1. Het allermooiste lied van Salomo.
2. Ik verlang ernaar dat hij mij kust. Zijn liefde is mij meer waard dan de heerlijkste wijn.
3. Uw zalfolie geurt verrukkelijk; nog heerlijker is de klank van uw naam. Daarom houden zoveel jonge meisjes van u.
4. Voer mij met u mee. Laten we ons haasten. De koning nam mij mee naar zijn vertrekken. Wij willen jubelen en blij zijn met u. Uw liefde gaat de vreugde van de wijn ver te boven. Het is terecht dat men zoveel van u houdt!
5. Ik ben bruin verbrand en charmant om te zien. Meisjes van Jeruzalem, ik ben zo bruin als de tenten van Kedar en de gordijnen van Salma. (a)
6. Let er maar niet op dat ik zo bruin ben; de zon heeft mij verbrand. Mijn broers hebben mij ruw behandeld. Ik moest hun wijngaarden bewaken. Maar mijzelf heb ik niet goed bewaakt.
7. Mijn liefste, zeg me waar je je kudden weidt en waar 's middags je schapen rust houden. Er is immers geen reden mij te sluieren, zoals wanneer ik bij de kudden van je vrienden kom?
8. Jij bent de mooiste van alle vrouwen. Als je niet weet waar ik weid, volg dan gewoon het spoor van de kudde. Laat je geiten maar grazen bij de nachtverblijven van de herders.
9. Allerliefste, ik vergelijk je met de mooiste merrie voor de wagen van Farao.
10. Je wangen komen mooi uit tussen de sieraden die je draagt. En je hals rijst zo fraai op tussen de halssieraden.
11. Ik zal gouden sieraden voor je laten maken met zilveren ballen erin.
12. Zolang de koning aan tafel zit, kun je de geur van mijn nardusparfum ruiken.
13. Mijn liefste rust (als een bundel mirre) tussen mijn borsten.
14. Mijn liefste lijkt in mijn ogen op een tros bloemen in de wijngaarden van Engedi.
15. Wat vind ik je mooi, mijn allerliefste! Je bent zo mooi; je ogen zijn zo teer als duiven.
16. Ik vind jou ook mooi, mijn liefste. Het is heerlijk om met jou samen te zijn. Wij liggen samen tussen het gebladerte.
17. De ceders om ons heen zijn de balken van ons huis en de cypressen vormen een muur om ons heen.

Wijsheid 2:1-17
1. Ik ben een narcis uit Saron, een prachtige lelie in het dal.
2. Als ik naar mijn allerliefste kijk temidden van andere meisjes, zie ik een blanke lelie tussen distelstruiken.
3. Als ik mijn liefste zie zitten tussen de andere jonge mannen, zie ik een appelboom tussen gewone loofbomen. Ik verlang ernaar in zijn schaduw te zitten en zijn vruchten te proeven.
4. Hij heeft mij naar het wijnhuis gebracht en ik koesterde mij in zijn liefde.
5. Geef mij rozijnenkoekjes om aan te sterken en appels om nieuwe energie te krijgen, want door de liefde ontbreekt mij elke kracht.
6. Met mijn hoofd lig ik op zijn linkerarm. Zijn rechterarm is om mij heen.
7. Meisjes van Jeruzalem, let op wat ik jullie met nadruk zeg. Kijk daarbij naar de gazellen en hinden op het veld. Zij kunnen jullie een les leren. Loop niet vooruit op de liefde, overhaast niets. Laat de liefde zichzelf openbaren als de tijd daarvoor gekomen is.
8. Luister! Daar komt mijn liefste. Hij springt door de bergen en komt huppelend over de heuvels aan.
9. Mijn liefste loopt als een gazel of een hertejong. Kijk, nu staat hij achter de muur van ons huis en kijkt door de ramen.
10. Hij spreekt tegen mij: Sta nu op, mijn allerliefste. Jij bent voor mij de mooiste. Kom, ga met me mee.
11. Kijk maar, de winter is voorbij en ook de regentijd is over.
12. De bloemen ontluiken op de velden. Nu is de tijd om te zingen aangebroken. Overal hoor je de tortelduiven kirren.
13. De eerste vijgen rijpen aan de bomen en de bloeiende druivenstruiken geuren. Sta op, mijn allerliefste. Je bent zo mooi, kom met me mee.
14. Jij bent mijn duifje, verborgen in de rotsspleten. Laat me je zien en je stem horen. Je stem klinkt voor mij als muziek en je lichaam is zo aantrekkelijk.
15. Vang de jonge vossen, die onze wijngaarden ruïneren. De druiven bloeien nu immers?
16. Mijn liefste en ik zijn van elkaar. Hij weidt zijn kudde in de bloeiende velden tot
17. de avondwind opsteekt en de schaduwen langer worden. Kom dan naar mij toe en doe als de gazel, mijn liefste. Of als een jong hert, dat rondspringt in de bergen.

Psalmen 104:1-9
1. Met hart en ziel wil ik de HERE prijzen. HERE, mijn God, wat bent U groot! U bent omringd door pracht en majesteit.
2. God kleedt Zich in het licht alsof het een mantel is. De hemel wordt door Hem als een tent opgezet.
3. In de wateren maakt Hij Zijn zalen. De wolken zijn de wagen waarop Hij rijdt en Hij wandelt op de vleugels van de wind.
4. De windrichtingen zijn Zijn boodschappers en het vlammende vuur dient Hem.
5. De aarde werd door Hem vast neergezet; zij zal niet omvallen.
6. U hebt de diepten van het water bedekt als met een kleed. Het water reikte zelfs tot boven de bergen.
7. Het stroomde weg op Uw gezag. Voor Uw stem (die klonk als de dreiging van de donder) vloeide het snel weg.
8. De hoge bergen en de diepe dalen ontstonden precies waar U ze hebben wilde.
9. U hebt aan het water grenzen gesteld, die niet worden overschreden. De aarde heeft niets meer te vrezen.

Prediker 24:15-16
15. Goddeloze! Loer niet op de rechtvaardige! Gebruik geen geweld tegen zijn woonplaats.
16. Want de rechtvaardige kan vaak vallen, maar zal net zo vaak weer opstaan; de goddelozen zullen echter over hun eigen wandaden struikelen.

1 Korintiërs 11:17-34
17. Het volgende wat ik moet regelen, is iets waar ik geen goed woord voor over heb. Het gaat namelijk om uw bijeenkomsten, die schadelijk zijn in plaats van nuttig.
18. Ik heb gehoord dat er, wanneer u bijeenkomt, nogal wat onenigheid is. En ik geloof wel dat er iets van waarheid in is.
19. Er moeten wel splitsingen onder u plaatsvinden; anders zou niet duidelijk worden wie aan de goede kant staan.
20. Wanneer u bij elkaar komt om te eten, heeft dat niets te maken met de maaltijd van de Here.
21. Voordat de maaltijd goed en wel is begonnen, schrokt iedereen zoveel mogelijk naar binnen, met het gevolg dat sommigen nog honger hebben en anderen dronken zijn.
22. Als u echt zoveel honger hebt, moet u eerst thuis iets eten. Betekent de gemeente van God zo weinig voor u dat de arme medegelovigen door u geen kans krijgen om te eten? Wat denkt u? Dat ik u een compliment zal geven? Ik denk er niet aan!
23. Wat ik u hierover al eerder heb verteld, heb ik van de Here ontvangen. In de nacht dat de Here Jezus werd verraden, nam Hij een brood,
24. dankte God ervoor en zei: "Dit is mijn lichaam, dat Ik voor u geef. Eet het geregeld als een herinnering aan Mij."
25. Na het eten nam Hij ook de beker en zei: "Deze beker is het nieuwe verbond, dat wordt bekrachtigd met mijn bloed. Drink die geregeld als een herinnering aan Mij."
26. Want telkens als u van dit brood eet en uit de beker drinkt, bevestigt u daarmee dat de Here gestorven is. Doe dit tot Hij terugkomt.
27. Wie op een onwaardige manier van het brood eet en uit de beker van de Here drinkt, zondigt daarmee tegen het lichaam en het bloed van de Here.
28. Daarom moet u uzelf eerst goed onderzoeken, voordat u van het brood eet en uit de beker drinkt.
29. Want wie eet en drinkt zonder rekening te houden met de diepe betekenis van deze maaltijd, haalt Gods oordeel over zich.
30. Daarom zijn er zoveel zwakken en zieken onder u en zijn velen al gestorven.
31. Als wij onszelf rekenschap geven van wat wij doen, zal de Here ons niet bestraffen.
32. Maar als Hij ons bestraft, doet Hij dat om ons op de goede weg te leiden. Anders zouden wij met de wereld worden veroordeeld.
33. Dus, beste broeders, als u bijelkaar komt om te eten, wacht dan op elkaar; dan kunt u samen beginnen.
34. En als iemand honger heeft, moet hij eerst thuis eten. Anders haalt u in de bijeenkomsten een oordeel over u. Er is nog het een en ander, maar dat zal ik wel regelen als ik bij u kom.