Bijbel in een jaar
September 21


Wijsheid 1:1-16
1. Drenk mij met de kussen van uw mond; Want uw liefde is zoeter dan wijn.
2. Heerlijk is de geur van uw balsem, Uw naam is het kostbaarst aroom. Daarom hebben de meisjes u lief.
3. Neem mij mede, laat ons vluchten; Want de koning heeft mij in zijn vertrekken gebracht! Wij willen juichen, in u ons verblijden, Uw liefde roemen, hoger dan wijn, Terecht beminnen zij u!
4. Wel ben ik donker, Maar toch nog schoon, Jerusalems dochters: Als de tenten van Kedar, De paviljoenen van Sjalma.
5. Let er niet op, dat ik zwart ben, En van de zon ben verbrand; Want de zonen van mijn moeder waren boos op mij, En lieten mij de wijngaarden bewaken….Maar mijn eigen wijngaard bewaakte ik niet!
6. Bericht mij toch, mijn zielsbeminde, Waar ge uw kudde laat weiden, Waar ge ze in de middag laat rusten? Want waarom zou ik gaan zwerven Bij de kudden uwer vrienden?
7. Als ge het niet weet, Schoonste der vrouwen, Volg dan het spoor van de kudde, En hoed uw geiten Bij de tenten der herders.
8. Met het span van Farao’s wagens Vergelijk ik u, liefste;
9. Hoe bekoorlijk uw wangen tussen de hangers, Uw hals in de snoeren.
10. Gouden hangers laten we u maken, Met plaatjes van zilver.
11. Zolang de koning in zijn harem verbleef, Straalde mijn nardus haar geur.
12. Want mijn beminde is mij een bundeltje mirre, Dat op mijn boezem blijft rusten;
13. Mijn beminde is mij een cyper-tros, Van Engédi’s gaarden.
14. Wat zijt ge verrukkelijk, mijn liefste, Uw ogen zijn duiven.
15. Wat zijt ge verrukkelijk schoon, mijn beminde Ons rustbed is in het groen!
16. De binten van ons paleis zijn ceders, Onze wanden cypressen.

Wijsheid 2:1-17
1. Maar ik ben een crocus van Sjaron, Een lelie der dalen!
2. Als een lelie tussen de doornen, Is mijn liefste onder de meisjes.
3. Als een appelboom tussen de bomen in het woud, Is mijn beminde onder de jongemannen; Ik smacht er naar, in zijn schaduw te zitten, Zijn vrucht is zoet voor mijn mond.
4. Brengt mij naar het huis van de wijn, Ontplooit over mij de standaard der liefde;
5. Verkwikt mij met druivenkoeken, Versterkt mij met appels. Want ik ben krank, Ben krank van liefde!
6. Zijn linker moet rusten onder mijn hoofd, Zijn rechter houde mij omstrengeld!
7. Ik bezweer u, Jerusalems dochters, Bij de gazellen en de hinden in het veld: Wekt en lokt de liefde niet, Voordat het haar lust! ….
8. Maar hoor, mijn beminde! Zie, hij komt! Hij springt over de bergen, Hij huppelt over de heuvels.
9. Mijn beminde gelijkt een gazel, Of het jong van een hert. Zie, daar staat hij reeds Achter onze muur. Hij staart door het venster, En blikt door de tralies;
10. Mijn beminde heft aan, En spreekt tot mij! Sta op, mijn geliefde, Mijn schone, kom mede!
11. Want zie, de winter is voorbij, De regen is voorgoed verdwenen.
12. De bloemen prijken op het land, Men hoort de duiven al kirren;
13. De vijg kleurt reeds zijn jonge vrucht, De wingerds bloeien en geuren. Sta op, mijn geliefde, Mijn schone, kom mede;
14. Mijn duifje in de spleten der rotsen, In de holen der klippen! Laat mij zien uw gelaat, Laat mij horen uw stem; Want uw stem is zo zoet, Uw gelaat is zo lief.
15. Vangt ons de jakhalzen De kleine vossen, Die de tuinen vernielen, Ofschoon onze wijngaard al bloeit.
16. Want mijn beminde is mijn, en ik van hem: Hij is het, die in de leliën weidt,
17. Totdat de dag is afgekoeld En de schaduwen vlieden! Blijf hier, mijn beminde, En doe zoals de gazel Of het jong van het hert Op de balsembergen!

Psalmen 104:1-9
1. Halleluja! Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
2. Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
3. Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders!
4. Wendt u tot Jahweh en zijn macht, Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
5. Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
6. Gij kinderen van Abraham, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
7. Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
8. Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
9. Het verbond, met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.

Prediker 24:15-16
15. Booswicht, loer niet op de woning van den rechtvaardige, Beproef niet, zijn verblijf te vernielen;
16. Want al valt de rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op, Maar de bozen blijven liggen in het kwaad.

1 Korintiërs 11:17-34
17. Bij de nu volgende vermaning kan ik u niet prijzen. Want gij komt niet samen tot uw heil, maar tot uw onheil.
18. Vooreerst toch hoor ik, dat er bij uw bijeenkomsten in de kerk verdeeldheid onder u heerst; en gedeeltelijk geloof ik dit ook.
19. Want het is nodig, dat er scheuringen onder u zijn, wil het blijken, wie onder u standvastig is.
20. Wanneer gij bijeen komt, dan is dat geen nuttigen van de Maaltijd des Heren.
21. Want iedereen begint zijn eigen maal vooruit te eten; en zó is de een hongerig, de ander over-verzadigd.
22. Hebt gij dan geen huizen, om te eten en te drinken? Of durft gij de kerk van God verachten, en hen die niets bezitten, vernederen? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik u zeker niet.
23. Want ik zelf heb van den Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd; dat de Heer Jesus in de nacht, dat Hij verraden werd, brood nam,
24. een dankzegging sprak, het brak en zeide: "Dit is mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd. Doet dit tot mijn gedachtenis."
25. Zo ook na de maaltijd de kelk, zeggende: "Deze kelk is het nieuwe Verbond in mijn Bloed. Doet dit, zo dikwijls gij drinkt, tot mijn gedachtenis."
26. Welnu, zo dikwijls gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
27. Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de kelk des Heren drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed des Heren.
28. Laat dus een ieder zichzelf onderzoeken, en dan eerst eten van het brood en drinken van de kelk.
29. Want wie eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel, zo hij het Lichaam niet naar waarde beoordeelt.
30. Daarom zijn er onder u zoveel zwakken en zieken, en zijn er zovelen ontslapen.
31. Zo we onszelf naar waarheid hadden beoordeeld, zouden we niet geoordeeld worden.
32. Welnu, als we door den Heer worden gèoordeeld, dan is dat voor ons een les, om niet met de wereld vèroordeeld te worden.
33. En daarom, mijn broeders, wanneer gij bijeenkomt om te eten, blijft dan op elkander wachten.
34. Zo iemand honger heeft, dan moet hij thuis maar eten. Anders komt gij tot uw oordeel bijeen. De andere zaken zal ik wel regelen, wanneer ik kom.