Bijbel in een jaar
September 21


Wijsheid 1:1-17
1. Het Hooglied, hetwelk van Salomo is.
2. Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.
3. Uw olien zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief.
4. Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.
5. Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.
6. Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.
7. Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?
8. Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.
9. Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.
10. Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren.
11. Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes.
12. Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.
13. Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht.
14. Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.
15. Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen.
16. Zie, gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.
17. De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cypressen.

Wijsheid 2:1-17
1. Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen.
2. Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de dochteren.
3. Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.
4. Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.
5. Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde.
6. Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
7. Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!
8. Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!
9. Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de tralien.
10. Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!
11. Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan;
12. De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.
13. De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom!
14. Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.
15. Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.
16. Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de lelien,
17. Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden; keer om, mijn Liefste! wordt Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether.

Psalmen 104:1-9
1. Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
2. Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
3. Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
4. Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
5. Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
6. Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
7. Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
8. De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
9. Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

Prediker 24:15-16
15. Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
16. Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.

1 Korintiërs 11:17-34
17. Dit nu, hetgeen ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt.
18. Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele;
19. Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.
20. Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten.
21. Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken.
22. Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet.
23. Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam;
24. En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
25. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
26. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.
27. Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.
28. Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.
29. Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
30. Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.
31. Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.
32. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
33. Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.
34. Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.